Centrale Raad van Beroep, 07-04-2015 / 13-6529 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1068

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Onvoldoende grond voor het oordeel dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van inkomsten en het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-07
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
13-6529 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6529 WWB, 13/6530 WWB

Datum uitspraak: 7 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 oktober 2013, 13/3125 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. Voor appellanten is

mr. Van Beers verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Neeleman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen sinds 12 oktober 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Op 9 oktober 2012 heeft het college een anonieme tip gekregen dat appellant een eigen bedrijf in paranormale activiteiten runt en eigengemaakte spullen verkoopt. Het college heeft daar onderzoek naar laten verrichten. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 november 2012.


1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 29 november 2012 de bijstand van appellanten met ingang van 12 november 2012 in te trekken. Het college heeft het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 22 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van inkomsten en het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 12 november 2012 tot en met 29 november 2012. Appellanten betwisten, kort weergegeven, dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat zij werkzaamheden hebben verricht en daardoor de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Uit de summiere onderzoeksbevindingen komt naar voren dat appellant zich op internet profileert als zelfstandige op het gebied van advisering en bemiddeling. Gelet op de anonieme tip zou het daarbij gaan om paranormale activiteiten. Die mogelijke aanwijzing dat appellant paranormale activiteiten verrichtte, heeft het college niet nader geconcretiseerd. Naar de aard, de omvang, de duur en de frequentie van eventuele paranormale sessies of andere activiteiten op dat gebied is bij het huisbezoek, waar slechts met appellante is gesproken, geen navraag gedaan. Het huisbezoek heeft ook geen duidelijkheid opgeleverd met betrekking tot de breiwerken van appellante in die zin dat sprake zou zijn van het meer dan voor eigen gebruik hobbymatig maken van kindermutsen, -sjaals, -handschoentjes en dekens. Met klanten of afnemers is niet gesproken en ook is niet vastgesteld of de breiwerken door middel van bijvoorbeeld advertenties te koop werden aangeboden. De conclusie van de rapporteurs dat appellanten voor hun activiteiten geld hadden kunnen vragen, wordt dan ook niet gedragen door de onderzoeksbevindingen zoals weergegeven in het onderzoeksrapport.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat er onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van inkomsten en het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, evenals het bestreden besluit. Nu er voorts geen concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het aan de besluitvorming van het college klevende gebrek nog kan worden hersteld, ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien door herroeping van het besluit van 29 november 2012.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 490,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.450,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 april 2013;

- herroept het besluit van 29 november 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.450,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het door hen in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) R.G. van den Berg



HD