Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 13-4229 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1077

Inhoudsindicatie
Appellant ontving sinds 1 november 2010 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand. Na een fraudeonderzoek heeft het college in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij het bestreden besluit de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 1 september 2012 op grond van schending van de inlichtingenverplichting. De te beoordelen periode loopt van 1 september 2012 tot en met 13 september 2012. Appellant heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen en pas in beroep het standpunt ingenomen dat hij het Rolex-horloge heeft bekostigd uit een door hem ontvangen schadevergoeding. Appellant heeft dit echter op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Bevestiging AU.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
13-4229 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4229 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juli 2013, 13/777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema en vergezeld van zijn broer [broer appellant]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.W.H. Hulsen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 1 november 2010 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand.


1.2.

Naar aanleiding van (vermogens) signalen van de Belastingdienst en de politie heeft de afdeling Sociale Recherche van de gemeente ’s-Hertogenbosch (sociale recherche) een fraudeonderzoek gestart naar de familie van appellant. In het kader van dat onderzoek heeft op 3 april 2012 een doorzoeking plaatsgevonden van de woning van appellant. Daarbij is een handgeschreven schriftelijke overeenkomst aangetroffen waaruit blijkt dat appellant op 12 februari 2012 met contant geld een Rolex-horloge heeft gekocht voor een bedrag van € 14.000,-. Appellant is op 6 augustus 2012 gehoord over deze aankoop en heeft zich daarbij beroepen op zijn zwijgrecht. Na daartoe meerdere malen in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft hij geen nadere informatie verstrekt over de aankoop of de wijze waarop hij het

Rolex-horloge heeft bekostigd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 20 augustus 2012.


1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

13 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 januari 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 1 september 2012. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door, voor zover van belang, geen informatie te verstrekken over de aankoop en de financiering van het Rolex-horloge. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 september 2012 tot en met 13 september 2012.


4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden door van de aankoop van het Rolex-horloge geen melding te maken bij het college. Hij heeft de aankoop bekostigd uit (het restant van) een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 30.000,- die hem op 19 april 2010 is uitbetaald na een verkeersongeluk waarbij hij een whiplash heeft opgelopen. Namens het college is hem mondeling toegezegd dat deze immateriële schadevergoeding voor de bijstandverlening zou worden vrijgelaten.


4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De door het college gevraagde informatie over de financiering van het Rolex-horloge ziet op kennelijk bij appellant aanwezige grote bedragen aan contant geld waarmee hij dat horloge heeft bekostigd. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan, zoals appellant stelt en door het college wordt betwist, dat appellant destijds bij het college melding heeft gemaakt van een ontvangen schadevergoeding van € 30.000,- en dat deze middelen voor de bijstandverlening vrijgelaten zouden moeten worden, dan laat dit onverlet dat appellant geen verifieerbare en voor het vaststellen van het recht op bijstand relevante informatie heeft verstrekt over de financiering van het Rolex-horloge met contant geld. Daarmee is gegeven dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen en pas in beroep het standpunt ingenomen dat hij het Rolex-horloge heeft bekostigd uit de ontvangen schadevergoeding. Appellant heeft dit echter op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. De enkele stelling van appellant dat er geen concrete aanwijzingen waren dat het volledige bedrag aan schadevergoeding op was op het moment van de aanschaf van de Rolex, is daartoe onvoldoende.


4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.M.A.V. van Kleef





MK