Centrale Raad van Beroep, 18-03-2015 / 14-2924 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1087

Inhoudsindicatie
Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank (impliciet) heeft geoordeeld dat het geschrift van appellante van 3 mei 2013 door de minister terecht is aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het onder 1.2 genoemde besluit van 2 februari 2013. Dat oordeel is juist. Het onder 1.3 genoemde besluit van 6 februari 2013, dat volgens appellante bij haar tot verwarring heeft geleid, heeft betrekking op de indertijd aan appellante verstrekte lening. Zij heeft daaruit redelijkerwijs niet mogen afleiden dat de minister de vordering wegens meerinkomen niet (meer) zou opleggen. Bovendien beschikte appellante toen zij dit besluit ontving al over de brief van de minister van 21 januari 2013 waarin zij werd geadviseerd over de te volgen stappen en werd een nieuw besluit aangekondigd. Voor de rechtbank lag uitsluitend ter beoordeling voor of appellante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die de minister aanleiding hadden moeten geven het besluit van 2 februari 2013 te herzien. De rechtbank heeft deze beoordeling correct uitgevoerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en de daaruit getrokken conclusie. Van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol is geen sprake evenmin als van strijd met artikel 6 van het EVRM. Bevestiging AU.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-18
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
14-2924 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/2924 WSF

Datum uitspraak: 18 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

10 april 2014, 13/1726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015. Appellante is verschenen en is bijgestaan door haar vader [vader]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft, voor zover hier van belang, over het jaar 2010 studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen.


1.2.

Bij brief van 25 november 2012 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij volgens gegevens die hij van de Belastingdienst heeft ontvangen in 2010 een verzamelinkomen had van € 17.348,-.


1.3.

Appellante heeft daarop de minister bericht dat een deel van de door haar in 2010 ontvangen WAJONG-uitkering in 2011 van haar is teruggevorderd en dat zij de Belastingdienst bij brief van 21 december 2012 heeft verzocht het vastgestelde verzamelinkomen en de haar opgelegde aanslag over 2010 om die reden aan te passen.


1.4.

Bij brief van 21 januari 2013 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat aanpassing van het toetsingsinkomen niet mogelijk is omdat het bij de Belastingdienst geregistreerde verzamelinkomen leidend is. Zij is daarbij gewezen op de mogelijkheid bij de minister een verzoek om herziening in te dienen binnen zes weken na ontvangst van een nieuwe aanslag over 2010.


1.5.

Bij besluit van 2 februari 2013 heeft de minister ten laste van appellante over het jaar 2010 een vordering wegens zogeheten meerinkomen vastgesteld ter hoogte van € 4.034,46. Daarbij is de minister uitgegaan van het in 1.2 genoemde verzamelinkomen.


1.6.

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat na correctie van een ten onrechte geregistreerde schuld haar lening is omgezet in een gift. De nog openstaande schuld is hierna met een bedrag van € 10.021,25 verlaagd en op nihil vastgesteld.


1.7.

Op 3 mei 2013 heeft appellante de minister bericht dat de Belastingdienst weliswaar niet bereid is gebleken een nieuwe aanslag over 2010 vast te stellen, maar dat dit niet wegneemt dat haar inkomen over 2010 feitelijk lager is geweest dan waarvan de minister in zijn besluit van 2 februari 2013 is uitgegaan. Zij heeft de minister daarom verzocht het vastgestelde verzamelinkomen te herzien.


1.8.

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft de minister het verzoek om herziening van zijn besluit van 2 februari 2013 afgewezen. Daarna heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van nieuwe feiten en dat er geen aanleiding wordt gezien ambtshalve aan het verzoek tegemoet te komen.

1.9.

Bij besluit van 6 september 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juni 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, daarbij voor de toetsingsmaatstaf verwijzend naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals die onder meer blijkt uit de uitspraak van de Raad van 10 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR7668, geoordeeld dat de terugvordering van de WAJONG-uitkering van appellante niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante de belastingdienst heeft verzocht om haar verzamelinkomen 2010 te herzien. Dit verzoek is afgewezen omdat appellante de terug te betalen bedragen als negatief inkomen kan opgeven in het jaar dat zij terugbetaalt. Nu het verzamelinkomen over 2010 niet is gewijzigd, moest de minister voor het meerinkomen over 2010 dus nog steeds uitgaan van het verzamelinkomen van € 17.348,00, zoals dat door de belastingdienst is vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verworpen omdat, nog daargelaten dat geen sprake is van een nieuw gebleken feit en de minister dus niet gehouden was om terug te komen van het besluit van 2 februari 2013, uit de uitspraak van de Raad van 13 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1595, volgt dat een vordering wegens meerinkomen niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (Eerste Protocol). Van schending van artikel 6 van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake nu er zowel tegen het primaire besluit als het bestreden besluit bezwaar respectievelijk beroep open stond. Dat appellante de hoogte van het verzamelinkomen in de procedure bij de rechtbank niet aan de orde kan stellen, maakt dit niet anders, omdat zij de vaststelling van het verzamelinkomen bij de inspecteur van de inkomstenbelasting kan aanvechten.


3. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de klachten die appellante over de gang van zaken rond het besluit van

6 februari 2013 heeft geuit. Voorts heeft appellante naar voren gebracht dat haar beroep op artikel van 1 van het Eerste Protocol onjuist is beoordeeld, omdat bij die beoordeling te weinig aandacht is besteed aan de bijzondere en specifieke situatie van haar zaak. Tot slot heeft appellante betoogd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel sprake is van strijd met artikel 6 EVRM, nu de belastinginspecteur zich bij de beoordeling van het verzoek van appellante geen rekenschap hoefde te geven van de (eventuele) gevolgen voor appellantes studiefinanciering, zodat zij de gevolgen van de terugbetaling van de uitkering voor appellantes recht op studiefinanciering niet in een andere procedure dan die over de vordering wegens meerinkomen aan de orde kan stellen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank (impliciet) heeft geoordeeld dat het geschrift van appellante van 3 mei 2013 door de minister terecht is aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het onder 1.2 genoemde besluit van 2 februari 2013. Dat oordeel is juist. Het betoog van appellante dat deze brief moet worden aangemerkt als een verschoonbaar te laat ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van 2 februari 2013 wordt verworpen. Het onder 1.3 genoemde besluit van 6 februari 2013, dat volgens appellante bij haar tot verwarring heeft geleid, heeft betrekking op de indertijd aan appellante verstrekte lening. Zij heeft daaruit redelijkerwijs niet mogen afleiden dat de minister de vordering wegens meerinkomen niet (meer) zou opleggen. Bovendien beschikte appellante toen zij dit besluit ontving al over de brief van de minister van 21 januari 2013 waarin zij werd geadviseerd over de te volgen stappen en waarin een besluit is aangekondigd waarin een vordering zou worden opgelegd, waartegen zij dan bezwaar zou kunnen maken.


4.1.2.

Voor de rechtbank lag uitsluitend ter beoordeling voor of appellante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die de minister aanleiding hadden moeten geven het besluit van 2 februari 2013 te herzien. De rechtbank heeft deze beoordeling correct uitgevoerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en de daaruit getrokken conclusie.


4.2.1.

Van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol is geen sprake. Aan de hieraan gewijde overwegingen van de rechtbank, die gelet op wat is overwogen in 4.1.2 niet meer dan een voorlichtend karakter hebben, wordt het volgende toegevoegd.


4.2.2.

Het gegeven dat appellante een in 2010 gedeeltelijk onterecht ontvangen uitkering heeft moeten terugbetalen betekent niet dat haar inkomen over 2010 lager is geworden. De feitelijke terugbetaling in een later jaar drukt weliswaar het inkomen in dat latere jaar, maar het verandert niets aan de feitelijke ontvangst in 2010. Met die ontvangst heeft zij de bijverdiengrens overschreden en dient er op grond van artikel 3.17 van de Wet studiefinaciering 2000 (Wsf 2000) een vordering wegens meerinkomen te worden vastgesteld. Daarbij moet worden bedacht dat appellante in het jaar waarin zij het in 2010 onterecht ontvangen bedrag terugbetaalt een lager fiscaal inkomen heeft en dat zij in dat jaar dus een lagere vordering wegens meerinkomen tegemoet kan zien dan op basis van haar feitelijke inkomen zou kunnen worden verwacht.


4.3.

Van strijd met artikel 6 van het EVRM is geen sprake. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat appellante zowel de beslissing van de inspecteur als de beslissing van de minister in rechte had kunnen aanvechten. Voor de minister bestond, gegeven het verbod in artikel 11.5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 om van het begrip toetsingsinkomen af te wijken, geen mogelijkheid van een ander inkomen uit te gaan dat hij heeft gedaan.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) G.J. van Gendt




RB