Centrale Raad van Beroep, 04-03-2015 / 12-6096 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:1088

Inhoudsindicatie
Eigen bijdrage bij sportvoorziening. In de bijzondere omstandigheden van het geval heeft appellant aanleiding gezien om bij besluit van 19 mei 2014 een bijdrage te verstrekken in de kosten van de aanschaf van de tandem en het onderhoud hiervan van € 4.120,27 en hierbij te bepalen dat dit bedrag slechts ziet op een periode van drie jaar en dat geen eigen bijdrage is verschuldigd. Met het besluit van 19 mei 2014 heeft appellant betrokkene mitsdien onmiskenbaar in een aanzienlijk betere positie gebracht dan waarin hij als gevolg van de door hem niet bestreden aangevallen uitspraak terecht was gekomen. Betrokkene heeft dit niet - ook niet nadat hem de gelegenheid is geboden met zijn raadsman te overleggen - met kracht van argumenten bestreden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-04
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
12-6096 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6096 WMO, 14/5881 WMO

Centrale Raad van Beroep

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

3 oktober 2012, 11/452 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 4 maart 2015

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.J.H. Bouwman en mr. R.A. Oosterveer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.D. Groot.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Appellant heeft een besluit van 19 mei 2014 toegestuurd.

Bij brief van 24 juni 2014 heeft mr. Groot, namens betrokkene, op het besluit van

19 mei 2014 gereageerd.

De zaak is door de meervoudige kamer verwezen naar een enkelvoudige.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet op 10 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Oosterveer en drs. M. Okoli. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Groot.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene is blind en doof. Hij is door middel van het bij hem ingebrachte cochleaire implantaat in staat iets te horen. Op 16 april 2012 heeft betrokkene in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vergoeding voor de aanschaf van een sportvoorziening in de vorm van een sporttandem met trapondersteuning aangevraagd. Op

10 april 2010 is een offerte voor de sporttandem opgemaakt; de kosten voor de tandem bedragen € 5.200,-.


1.2.

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft appellant de aanvraag van betrokkene voor een vergoeding voor de aanschaf van de sporttandem afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 21 februari 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat betrokkene in aanmerking wordt gebracht voor een persoonsgebonden budget (pgb) ten behoeve van de aanschaf van een sporttandem tot een bedrag van € 5.200,- en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich zoals ter zitting toegelicht primair op het standpunt gesteld dat dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien en daarmee de bestuurlijke afweging ten onrechte buitenspel heeft gezet.

4.1.

Het hoger beroep van appellant slaagt. Appellant had, nu meerdere oplossingen mogelijk waren, in de gelegenheid moeten worden gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken omtrent de in dit geval aangewezen toepassing van de Wmo.


4.2.

Bij besluit van 19 mei 2014 heeft appellant - onder intrekking van het besluit van

21 februari 2011 - betrokkene alsnog een financiële tegemoetkoming toegekend in de aanschaf, het onderhoud en de reparatie van de sporttandem ter hoogte van € 4.120,27 voor de periode van drie jaar vanaf 3 oktober 2012.


4.3.

Het besluit van 19 mei 2014 vormt een nieuwe beslissing op bezwaar. Nu bij dit besluit niet het door de rechtbank vastgestelde bedrag is toegekend, wordt dit besluit, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, in de beoordeling betrokken. De Raad zal, nu als gevolg van dit besluit geen belang meer bestaat bij een beoordeling van het besluit van 21 februari 2011 verder uitstaan met een beoordeling van het besluit van 19 mei 2014.


4.4.

Betrokkene heeft geen beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hieruit volgt dat betrokkene zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank - kort samengevat inhoudende - dat aan hem een pgb van € 5.200,- ten behoeve van de aanschaf van een aangepaste sporttandem wordt toegekend.


4.5.

Appellant heeft ter zitting - onbestreden - uiteengezet dat op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Ermelo bij het verstrekken van een pgb ten behoeve van (sport)voorzieningen een zogenoemde eigen bijdrage is verschuldigd. Dit heeft feitelijk tot gevolg dat betrokkene op zijn minst een aanzienlijk gedeelte, maar uiteindelijk wellicht zelfs het gehele bedrag van € 5.200,- aan appellant zal moeten terugbetalen. In de bijzondere omstandigheden van het geval heeft appellant aanleiding gezien om bij besluit van 19 mei 2014 een bijdrage te verstrekken in de kosten van de aanschaf van de tandem en het onderhoud hiervan van € 4.120,27 en hierbij te bepalen dat dit bedrag slechts ziet op een periode van drie jaar en dat geen eigen bijdrage is verschuldigd.


4.6.

Met het besluit van 19 mei 2014 heeft appellant betrokkene mitsdien onmiskenbaar in een aanzienlijk betere positie gebracht dan waarin hij als gevolg van de door hem niet bestreden aangevallen uitspraak terecht was gekomen. Betrokkene heeft dit niet - ook niet nadat hem de gelegenheid is geboden met zijn raadsman te overleggen - met kracht van argumenten bestreden.


4.7.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep van appellant en dient het beroep tegen het besluit van 19 mei 2014 ongegrond te worden verklaard.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de opgenomen bepalingen omtrent

griffierecht en proceskosten;

- verklaart het beroep tegen de beslissing van 19 mei 2014 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015.



(getekend) J. Brand




(getekend) K. de Jong




TM