Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 13-5652 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1100

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
13-5652 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5652 ZW

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

16 augustus 2013, 12/3483 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door W.W.P. van der Steen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

L. den Hartog.

OVERWEGINGEN


1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als onderhoudsmonteur. Hij heeft zich per

31 januari 2012 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld in verband met een operatieve ingreep aan de rechterpols, alsmede vanwege reeds langer bestaande psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Op 24 augustus 2012 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 31 augustus 2012 weer geschikt is voor zijn arbeid. Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft het Uwv dienovereenkomstig vastgesteld dat appellant met ingang van

31 augustus 2012 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 4 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

1 oktober 2012, waarin deze de conclusie van de verzekeringsarts heeft onderschreven.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en de conclusie kan dragen. De artsen van het Uwv hebben het dossier, met de zich daarin bevindende medische gegevens, bestudeerd. Bij het spreekuur op 24 augustus 2012 heeft de verzekeringsarts ook een oriënterend psychisch onderzoek verricht. De rechtbank heeft ook de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat uit de in beroep ontvangen informatie van neuroloog Th. P.J. Timmermans en van gezondheidspsycholoog J.M. Franse niet is gebleken van ernstige stoornissen die werkhervatting op de datum in geding belemmerden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het bestreden besluit te vernietigen.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep (samengevat) aangevoerd dat hij het niet eens is met de overwegingen van de rechtbank en dat de rechtbank te weinig heeft gedacht aan zijn belang. Hij heeft daarbij benadrukt dat het met name gaat om zijn psychische klachten en dat hij het niet eens is met de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van de, eerst in beroep ontvangen, informatie van neuroloog Timmermans en van psycholoog Franse.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is, onder andere, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.


4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en dat zij hun bevindingen inzichtelijk en concludent hebben gerapporteerd. Appellant heeft zijn standpunten in hoger beroep niet nader onderbouwd met medische gegevens, die aanleiding zouden kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor een nader onderzoek door een externe deskundige, zoals door appellant is verzocht.


4.3.

Gelet op wat is overwogen in 4.2 heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv appellant terecht met ingang van 31 augustus 2012, de datum in geding, geschikt heeft geacht voor zijn arbeid en de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) K. de Jong






NK