Centrale Raad van Beroep, 08-04-2015 / 14-1766 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1104

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard aangezien appellante procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit ten onrechte het besluit tot ontheffing van de sollicitatieplicht gehandhaafd. Het had meer voor de hand gelegen om de omvang van de sollicitatieplicht tijdelijk te verlagen. Niet gebleken dat appellante daadwerkelijk schade heeft geleden door het onrechtmatige besluit, zodat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
14-1766 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/182
Uitspraak

14/1766 WW

Datum uitspraak: 8 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 februari 2014, 13/4398 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[stichting] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft K. Mulder hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/2877 WW en 14/2524 WW plaatsgehad op 14 januari 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visser en mr. R.A. Beers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN


1.1.

[X.] (werkneemster) was vanaf 1 augustus 2009, telkens op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, werkzaam bij appellante in de functie van docent LB. Bij brief van 16 februari 2012 heeft appellante werkneemster geïnformeerd dat haar tijdelijke benoeming per 1 augustus 2012 van rechtswege afloopt. Het Uwv heeft werkneemster met ingang van 1 augustus 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een arbeidsurenverlies van 29 per week.


1.2.

Werkneemster heeft het Uwv op 26 november 2012 verzocht om ontheffing van de sollicitatieplicht. Bij besluit van 30 november 2012 heeft het Uwv werkneemster ontheffing van haar sollicitatieplicht verleend voor de periode van 3 tot en met 30 december 2012. Daarnaast is werkneemster in deze periode ontheven van de verplichtingen om passend werk te aanvaarden en om mee te werken aan scholing. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 7 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 november 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante materieel gezien met het beroep niet het door haar gewenste resultaat kan bereiken, aangezien de verleende ontheffing - gelet ook op de periode waarop de ontheffing betrekking had - niet meer ongedaan kan worden gemaakt. De rechtbank heeft appellante evenmin gevolgd in haar standpunt dat zij desondanks procesbelang heeft, omdat zij schade heeft geleden. Appellante heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van het ontheffingsbesluit schade heeft geleden, met name nu door haar geen enkel aanknopingspunt is gesteld noch is onderbouwd op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat werkneemster niet langer aanspraak zou hoeven te maken op een WW-uitkering dan wel dat het Uwv een maatregel zou hebben opgelegd in verband met onvoldoende sollicitatie-activiteiten, als de ontheffing niet zou zijn verleend.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er wel een procesbelang is aan te wijzen. Er bestaat volgens appellante een causaal verband tussen de voortdurende werkloosheid van werkneemster en het besluit tot ontheffing van het Uwv. Door het besluit van het Uwv heeft appellante geen re-integratie bevorderende middelen kunnen inzetten gedurende de periode van vrijstelling van de sollicitatieplicht, terwijl deze vrijstelling in de ogen van appellante op volstrekt onjuiste gronden is verleend. In het hypothetische geval dat werkneemster juist in deze vier weken passende arbeid zou hebben gevonden, was de WW-uitkering beëindigd en zou deze niet langer op appellante verhaald worden. Nu appellante hierop geen invloed heeft kunnen uitoefenen, is zij van mening dat de schade die hierdoor geleden is door het Uwv moet worden vergoed. De schade bestaat uit het bedrag ter hoogte van de op appellante verhaalde WW-uitkering vanaf de ontheffing van de sollicitatieplicht tot de maximale einddatum van de WW-uitkering, althans dat deel dat appellante niet had hoeven te betalen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (CRvB 22 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6528) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.


4.2.

Gelet op het feit dat de periode van ontheffing inmiddels is verstreken, hetgeen niet ongedaan kan worden gemaakt, is het belang van appellante bij een beoordeling van het besluit van 30 november 2012 in beginsel komen te vervallen. Er kan echter nog steeds sprake zijn van een actueel procesbelang, indien door appellante wordt gesteld dat zij schade heeft geleden door de bestuurlijke besluitvorming en zij om schadevergoeding heeft verzocht. Daarvoor is wel vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit (en het besluit van 30 november 2012) niet op voorhand onaannemelijk is.


4.3.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat ten aanzien van de werkloze werknemer in beginsel mag worden aangenomen dat met het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten de kans toeneemt dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. Het is deze vooronderstelling die aan de sollicitatieplicht ten grondslag ligt (zie de uitspraak van 25 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV1635). Het is niet uitgesloten dat als werkneemster in de periode van ontheffing had gesolliciteerd, zij ook een aanbod voor arbeid zou hebben gekregen. Ook is het mogelijk dat werkneemster als gevolg van de ontheffing heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden. Dit brengt met zich dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat appellante schade heeft geleden door het verlenen van de ontheffing aan werkneemster, zodat appellante procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.


4.4.

Hetgeen onder 4.3 is overwogen, betekent dat de rechtbank het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt dan ook. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Appellante heeft inhoudelijke gronden tegen het bestreden besluit ingediend en het Uwv heeft hierop verweer gevoerd. Met het oog op definitieve geschilbeslechting zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen. De Raad overweegt daarover als volgt.


4.5.

Voor de beoordeling is de volgende wet- en regelgeving van belang.


4.5.1.

Op grond van artikel 24, negende lid, van de WW kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 4°, opgelegd.


4.5.2.

In artikel 4 van het Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten (Besluit) is, voor zover van belang, bepaald dat het Uwv aan een uitkeringsgerechtigde voor een periode van maximaal vier weken ontheffing kan verlenen van de verplichtingen bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 4° en artikel 26, eerste lid, onderdeel d, f, en g, van de WW, indien van die uitkeringsgerechtigde tijdelijk redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij aan die verplichtingen voldoet in verband met een plotselinge, ernstige crisissituatie in de privésfeer. Uit de toelichting bij dit besluit blijkt dat de wetgever daarbij heeft gedacht aan een plotseling ernstig ziektegeval of een sterftegeval in het gezin of aan de situatie waarin de woning van de betrokkene is afgebrand.


4.6.

Uit het verzoek van werkneemster om ontheffing van de op haar rustende sollicitatieplicht blijkt dat werkneemster, die lijdt aan ADD, het Uwv om ontheffing had verzocht, omdat het op dat moment niet zo goed met haar ging. Zij was zich aan het inwerken op een nieuwe school met een lastige groep leerlingen. Daarnaast was zij bezig met een studie Nederlands tweedegraads om haar bevoegdheid te behalen en ervoer zij veel druk van de zijde van haar voormalig werkgeefster. Voorstelbaar is dat de werkzaamheden die werkneemster verrichtte bij haar nieuwe werkgever in combinatie met haar activiteiten om haar inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten door haar als belastend werden ervaren. Eveneens is voorstelbaar dat juist gelet op deze inspanningen het voor de inzetbaarheid van werkneemster op langere termijn bevorderlijk was om haar niet strikt te houden aan de op grond van de WW op haar rustende verplichtingen. Dit neemt echter niet weg dat uit de bij het verzoek tot ontheffing verstrekte informatie niet kan worden opgemaakt dat de situatie van werkneemster ten tijde van het verzoek daadwerkelijk kon worden aangemerkt als een plotselinge ernstige crisissituatie, zoals bedoeld in het Besluit. Het had meer voor de hand gelegen om - na advies van appellante - de omvang van de sollicitatieplicht tijdelijk te verlagen. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit ten onrechte het besluit tot ontheffing gehandhaafd. De Raad kan zelf in de zaak voorzien en zal het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 30 november 2012 herroepen.


4.7.

Met het Uwv wordt geconcludeerd dat appellante niet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van de ontheffing. Zo is niet gebleken dat werkneemster in de periode waarin haar ontheffing was verleend een aanbod van passende arbeid is gedaan en dat werkneemster dat heeft afgewezen in verband met die ontheffing. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat er een reële kans is geweest dat werkneemster door die ontheffing niet heeft gesolliciteerd op vacatures, waarvoor zij een geschikte kandidaat zou zijn geweest. Zo heeft appellante geen enkele vacature overgelegd. Daarnaast is van belang dat werkneemster nog slechts een korte periode werkloos was en zich bij het zoeken naar passende arbeid dus mocht richten op functies van haar eigen niveau. Werkneemster was destijds werkzaam in een dienstbetrekking van zeventien uur per week, zodat eventuele (inval)werkzaamheden niet eenvoudig te combineren zouden zijn geweest met haar werkzaamheden. Bovendien viel de kerstvakantie in de periode van ontheffing, een periode waarin zich in de onderwijssector niet veel vacatures zullen hebben voorgedaan. Gelet op het feit dat niet gebleken is dat appellante daadwerkelijk schade heeft geleden door het onrechtmatige besluit, zal het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade worden afgewezen.


4.8.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.940,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 juni 2013;
  • - herroept het besluit van 30 november 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 juni 2013;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 811,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) I. Mehagnoul




MK