Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 14-6816 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1105

Inhoudsindicatie
Beëindiging ziekengeld: niet meer ongeschikt voor het verrichten van zijn arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
14-6816 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6816 ZW

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

27 oktober 2014, 13/2756 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Voor appellant is zijn gemachtigde mr. P.A.J. van Putten, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 1 april 2011 werkzaam geweest als visfileerder. Aansluitend is aan hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft hij zich per 8 februari 2013 (wederom) arbeidsongeschikt gemeld. Appellant is op 26 februari 2013 op het spreekuur van een verzekeringsarts onderzocht. Deze arts heeft in het rapport van eveneens 26 februari 2013 op basis van de bevindingen uit dit spreekuuronderzoek appellant in staat geacht de maatgevende arbeid te verrichten. Op basis van dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2013 aan appellant meegedeeld dat hij per gelijke datum geen aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij op 26 februari 2013 (de datum in geding) niet ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.


1.2.

Bij besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2013, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 april 2013, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben voldoende gemotiveerd gerapporteerd waarom de in beroep ingebrachte informatie niet tot een ander oordeel leidt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de informatie van de behandelend sector blijkt dat appellant psychische problemen heeft maar dat deze informatie niet ziet op de datum in geding, appellant was op 8 februari 2013 nog niet onder behandeling bij GGZ Centraal. Uit de door de huisarts verstrekte informatie blijkt slechts dat appellant onder behandeling is bij GGZ Meregaard, maar inhoudelijke informatie over de psychische gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding heeft de huisarts niet verstrekt. Volgens de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding is om te oordelen dat hij op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten niet geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden als in beroep aangevoerd. Hij heeft benadrukt dat hij door zijn klachten niet in staat is zijn arbeid te verrichten, niet alleen omdat hij op de datum in geding is flauwgevallen maar tevens omdat zijn psychische klachten die, sinds een periode van jaren onveranderd aanwezig zouden zijn, op de datum in geding verergerd waren.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. In artikel 19, vijfde lid van de ZW is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Aan appellants laatst verrichte werk waren echter geen bijzondere, verzwarende, aspecten verbonden, die gelet op voormelde bepaling hier buiten beschouwing zouden moeten blijven


4.2.

Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de artsen van het Uwv in het kader van de beoordeling van de aanspraken van appellant op een ZW-uitkering op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant op de datum in geding niet ongeschikt was voor zijn werk.


4.3.

Nu appellant in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat, met inachtneming van artikel 19 ZW, zijn klachten door het Uwv op de datum in geding zijn onderschat en dat hij meer beperkt dient te worden geacht dan door het Uwv is aangenomen, is er geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank.


4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) H.J. Dekker




TM