Centrale Raad van Beroep, 08-04-2015 / 13-2106 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1124

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Er is geen basis te vinden op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat appellant om objectief medische redenen niet in staat zou kunnen worden geacht om arbeid als schoonmaker te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
13-2106 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2106 ZW

Datum uitspraak: 8 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 maart 2013, 12/2379 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H. van Marwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Marwijk, advocaat, en de tolk M. Cordes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was laatstelijk tot 17 februari 2012 werkzaam als schoonmaker. Hij heeft zich op 10 april 2012 vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege klachten als gevolg van een hoge bloeddruk en een stofwisselingsstoornis, waarna hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is verstrekt.


1.2.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 25 juni 2012 beëindigd op de grond dat appellant vanaf die datum weer geschikt is voor zijn arbeid als schoonmaker. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van

29 augustus 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 augustus 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding geven om te twijfelen aan de conclusie dat appellant per 25 juni 2012 niet langer ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellant onder druk van de (bezwaar)verzekeringsartsen heeft ingestemd met (het voortgaan van) de onderzoeken zonder dat hierbij een tolk aanwezig was. De brief van 24 december 2012 van F. Cetin van Essens (Interculturele GGZ) en het “Overzicht journaalregels” van V. Primec, huisarts, werpen naar het oordeel van de rechtbank geen ander licht op de zaak.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn psychische klachten op en na de datum in geding volledig arbeidsongeschikt is geweest. Appellant heeft gesteld dat bij de medische onderzoeken door het Uwv ten onrechte de nadruk heeft gelegen op een financieel motief in verband met de beëindiging van zijn WW-uitkering. Appellant is van mening dat bij het onderzoek ten onrechte is nagelaten informatie op te vragen bij zijn huisarts. Appellant heeft aangevoerd dat hij onder druk van de (bezwaar)verzekeringsartsen heeft ingestemd met (het voortgaan van) de onderzoeken zonder dat hierbij een tolk aanwezig was.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor de verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval betreft dat het werk van schoonmaker.


4.2.

Het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv naar de klachten van appellant is niet onzorgvuldig is geweest. Voor zover appellant heeft gesteld dat dit wel het geval is doordat bij het onderzoek door de verzekeringsarts geen tolk aanwezig is geweest, wordt overwogen dat appellant in bezwaar de mogelijkheid is geboden te worden gehoord door de bezwaarverzekeringsarts in het bijzijn van een tolk. Van deze mogelijkheid heeft appellant echter afgezien. Omdat appellant ten tijde van de onderzoeken door de verzekeringsartsen niet onder behandeling was voor zijn psychische klachten, is er geen sprake van verzuim aan de zijde van de verzekeringsartsen omdat over deze klachten geen informatie is ingewonnen.


4.3.

De medische gronden van appellant in hoger beroep vormen een herhaling van hetgeen door appellant in beroep bij de rechtbank is betoogd. Het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak worden onderschreven. In de gedingstukken is geen basis te vinden op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat appellant op 25 juni 2012 om objectief medische redenen niet in staat zou kunnen worden geacht om arbeid als schoonmaker te verrichten.


4.4.

Ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken volgt niet dat appellant op de datum in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten. De melding dat appellant tussen 26 juni 2012 en 30 juni 2012 als ambulant patiënt in Turkije is onderzocht voor cardiologische klachten beschrijft de medische situatie van appellant, zoals reeds bekend was uit het medisch dossier. Deze overige informatie uit Turkije dateert van ruim na de datum in geding en bevat geen onderzoeksbevindingen die betrekking hebben op de periode rond deze datum.


4.5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding om tot een proceskostenveroordeling over te gaan.












BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) H.J. Dekker




NK