Centrale Raad van Beroep, 08-04-2015 / 13-6940 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:1126

Inhoudsindicatie
Weigering terug te komen van Wajong-intrekkingsbesluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-6940 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/166
  • USZ 2015/212
Uitspraak

13/6940 WWAJ

Datum uitspraak: 8 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 november 2013, 12/5520 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op het verweerschrift gereageerd met inzending van een verzekeringsgeneeskundig rapport.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij. Voor betrokkene is mr. Van Geffen verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene heeft een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van

30 maart 2005 heeft appellant deze uitkering met ingang van 19 april 2005 ingetrokken, omdat bij een herbeoordeling van betrokkene was vastgesteld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder was dan 25%. Betrokkene heeft tegen het besluit van

30 maart 2005 geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.


1.2.

Met een brief van 17 januari 2012 heeft betrokkene appellant verzocht het besluit van

30 maart 2005 te herzien. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat de bevindingen van organisaties, die haar en haar gezin begeleiden, en de bevindingen van door haar ingeschakelde psychiaters zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze bevindingen zijn neergelegd in onder meer een rapport van orthopedagoog/psycholoog G. Nijhof en ambulant werker K. Winker van juli 2011 en een rapport van GZ-psycholoog B.B. van den Heuvel en psychiater M. Weeda van 11 november 2010.


1.3.

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft appellant vastgesteld dat er geen argumenten zijn voor het aannemen van een andere belastbaarheid van betrokkene dan tot uitgangspunt is genomen bij het besluit van 30 maart 2005.


1.4.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 5 juni 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

1 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard en zijn opvatting gehandhaafd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden teruggekomen van het besluit van 30 maart 2005.


2.1.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij tussenuitspraak van

19 augustus 2013 heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van Van den Heuvel en Weeda en het rapport van Nijhof en Winkler moeten worden aangemerkt als nieuwe feiten en veranderde omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op 19 april 2005. Volgens de rechtbank had de met de rapporten beschikbaar gekomen informatie tot een ander resultaat kunnen leiden en is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet voldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.2.

Appellante heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt en onder verwijzing naar onder meer een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht waarom van een zogenoemd novum geen sprake is.


2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, niet terug kan komen op een bij tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een zeer uitzonderlijk geval is geen sprake. Omdat appellant het gebrek aan het bestreden besluit niet heeft hersteld, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. Verder zijn beslissingen gegeven over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding en over de vergoeding van griffierecht en proceskosten.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden. De verzekeringsartsen van appellant hebben in het rapport van Van den Heuvel en Weeda noch in het rapport van Nijhof en Winkler medische argumenten aangetroffen die wijzen op een andere medische toestand van betrokkene in 2005. In de door betrokkene ingebrachte rapporten is geconcludeerd dat betrokkene licht verstandelijk is beperkt. En dat is dezelfde conclusie als waartoe de verzekeringsarts bij het onderzoek voorafgaande aan het besluit van 30 maart 2005 is gekomen.


3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd. Zij heeft onder meer herhaald dat bij het onderzoek door de verzekeringsarts in 2004 en 2005 geen goed beeld van haar is verkregen, omdat zij haar mogelijkheden veelal overschat. Uit het rapport van Van den Heuvel en Weeda blijkt volgens haar dat meer beperkingen hadden moeten worden opgenomen in de rubrieken 1 en 2 van de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die aan de berekening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 19 april 2005 ten grondslag is gelegd. De belastbaarheid van betrokkene is toen onder meer niet juist ingeschat omdat niet bekend was dat betrokkene slechts een IQ van 58 heeft. Betrokkene is van mening dat een deskundige moet worden benoemd om meer zicht te krijgen op de ernst van haar handicap.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In het licht van wat is overwogen in de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, is namens betrokkene ter zitting desgevraagd bevestigd dat met het verzoek van 17 januari 2012 geen andere beoordeling is gevraagd van appellant dan de beoordeling of op grond van nieuwe medische gegevens kan worden teruggekomen van het besluit van 30 maart 2005, waarbij de Wajong-uitkering van betrokkene is ingetrokken.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:AM3202) is op een verzoek zoals dat van betrokkene artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.


4.3.

Het geschil tussen partijen heeft zich toegespitst op de vraag of de bevindingen van

Van den Heuvel en Weeda, die zijn verkregen bij hun onderzoeken van betrokkene op

29 oktober en 8 november 2010 en zijn beschreven in hun rapport van 11 november 2010, nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.


4.4.

In het kader van de onderzoeken door Van den Heuvel en Weeda zijn bij betrokkene testen afgenomen ter bepaling van haar IQ. Daarbij is een totaal IQ gemeten van ongeveer 58 met daarbij de aantekening “90% betrouwbaarheidsinterval ligt tussen 56 en 63”. Volgens Van den Heuvel en Weeda is het gemeten lage intelligentieniveau niet negatief beïnvloed door een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en een andere culturele achtergrond van betrokkene. Onder het kopje “psychiatrisch onderzoek in engere zin”, waarbij aandacht is besteed aan de cognitieve functies, is in het rapport van 11 november 2010 beschreven dat de intelligentie van betrokkene imponeert als zwakzinnig. Bij de classificering volgens de zogenoemde DSM-IV is opgenomen dat sprake is van lichte zwakzinnigheid (lichte verstandelijke beperking). Onder het kopje “diagnostische overwegingen en conclusie” hebben Van den Heuvel en Weeda in hun rapport verwoord dat de uitkomst van hun onderzoek dat betrokkene licht verstandelijk beperkt is, overeenkomt met een eerder uitgevoerde intelligentietest. De Raad begrijpt het rapport van Van den Heuvel en Weeda zo, dat daarbij gedoeld wordt op een psychologisch onderzoek door Altra thuisbehandeling in april 2008, waarbij een zogenoemde standaard IQ-score van betrokkene van 68 is bepaald. Uit het rapport blijkt dat Van den Heuvel en Altra met de uitkomst van dit psychologisch onderzoek bekend waren.


4.5.

Aan betrokkene moet worden toegegeven dat ten tijde van het besluit van 30 maart 2005 bij appellant geen bekendheid bestond met het IQ van betrokkene. Verzekeringsarts

C. Pinchasik heeft indertijd wel informatie gevraagd bij de huisarts van betrokkene, maar als reactie teruggekregen dat de huisarts niet in het bezit was van een rapport omtrent de mate van de verstandelijke handicap van betrokkene. Verzekeringsarts D.T. Kam heeft in een rapport van 24 september 2012 bevestigd dat blijkens de beschikbare gegevens bij beoordeling van de uitkeringsaanvraag in 1995 noch bij de herbeoordelingen in 2001 en 2004 IQ-waarden van betrokkene bekend zijn geweest. Op basis van eigen onderzoek - en, naar de Raad aannemelijk voorkomt, op basis van gegevens met betrekking tot de schoolcarrière van betrokkene - is bij alle beoordelingen uitgegaan van een lichte verstandelijke beperking.


4.6.

Appellant heeft daarentegen terecht erop gewezen dat het enkele bekend worden van een (nieuwe) IQ-score niet is aan te merken als een nieuw feit. Het meten van het IQ is immers in het geval van betrokkene gebruikt als een hulpmiddel ter bepaling van de mate van haar verstandelijke beperking. Bij de onderzoeken van Van den Heuvel en Weeda, waarbij de gemeten IQ-score is betrokken, is ten aanzien van de mate van verstandelijke beperking van betrokkene geen andere conclusie getrokken dan eerder door Pinchasik en andere verzekeringsartsen van appellant. Anders dan betrokkene heeft betoogd valt aan de uitspraak van de Raad van 23 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV9875), waarnaar zij heeft verwezen, niet te ontlenen dat het bekend worden van een IQ-score steeds heeft te gelden als een nieuw feit. In haar betoog ziet betrokkene eraan voorbij dat in die zaak een bij een verstandelijke beperking passende IQ-score bekend werd, nadat bij eerdere verzekeringsgeneeskundige beoordelingen van een, weliswaar lage, maar toch normale intelligentie was uitgegaan.


4.7.

Voor het benoemen van een deskundige, zoals betrokkene heeft verzocht, is geen aanleiding. De informatie uit het rapport van Van den Heuvel en Weeda is immers, waar het de inschatting van de mate van de verstandelijke beperking van betrokkene betreft, geheel in lijn met de rapporten van de verzekeringsartsen van appellant.


4.8.

De rechtbank wordt niet gevolgd in haar, in de tussenuitspraak gemotiveerde, oordeel dat betrokkene met de door haar ingebrachte rapporten nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Wat Van den Heuvel en Weeda naar aanleiding van hun bevindingen bij hun onderzoeken in 2010 hebben opgemerkt over de FML van

27 januari 2005 is niet gebaseerd op nieuwe feiten die betrekking hebben op de medische toestand van betrokkene op 19 april 2005, maar veeleer op een ander medisch inzicht ten aanzien van de van betrokkene, mede gelet op haar beperkte intellectuele capaciteiten, te vergen arbeidsinspanningen. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BU8546) geldt niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid latere medische of andere rapporten die een andere waardering van of visie inhouden op feiten of omstandigheden die destijds bij de oordeelsvorming hebben voorgelegen of zijn betrokken.


4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat appellant, bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, het verzoek van betrokkene van 17 januari 2012 dan ook mocht afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 30 maart 2005. In wat betrokkene heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die appellant in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte gegrond verklaard.


4.10.

Dat betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep van betrokkene zal alsnog ongegrond worden verklaard.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2012 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.



(getekend) M. Greebe




(getekend) I. Mehagnoul



JL