Centrale Raad van Beroep, 09-04-2015 / 13-5323 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1134

Inhoudsindicatie
1) Ten onrechte wettelijke rente aan appellant in rekening gebracht. 2) Verzoek om ziekteverlof is terecht afgewezen. 3) De brief van 25 mei 2012, waarin is appellant bericht dat de brief van 13 mei 2012 in behandeling is genomen en dat die brief niet kan dienen als ingebrekestelling heeft een informatief karakter en kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 4) Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. 5) De eis van onafhankelijkheid geldt niet voor de secretaris van de adviescommissie. De secretaris verricht ondersteunende werkzaamheden voor de adviescommissie. Het is niet de secretaris die de minister adviseert, maar de adviescommissie als onafhankelijk adviesorgaan die het advies uitbrengt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-09
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-5323 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/169
Uitspraak

13/5323 AW

Datum uitspraak: 9 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

21 augustus 2013, 13/1070 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 januari 2015. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Nordsiek,

drs. A. van der Hammen en drs. D.M. van der Winden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2001 werkzaam bij de dienst [naam dienst] van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in de functie van [naam functie A] ([functie A]). In het kader van een reorganisatie zijn de taken die voorheen door [naam dienst] werden verricht, overgedragen naar [naam dienst 2]. Met ingang van 1 januari 2010 is appellant geplaatst in de functie van [naam functie B] ([functie B]) bij [naam dienst 2].


1.2.

Bij besluit van 10 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

20 november 2012, is aan appellant met ingang van 15 januari 2012 eervol ontslag verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij uitspraak van 17 juni 2013 heeft de rechtbank Overijssel het beroep tegen het besluit van 20 november 2012 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van heden beslist op het hoger beroep tegen de uitspraak van

17 juni 2013 en die uitspraak bevestigd.


1.3.1.

Bij besluit van 4 mei 2012 (besluit 1) heeft de minister appellant bericht dat hij, in tegenstelling tot wat hem eerder is bericht, over het jaar 2012 niet een IKAP-aanspraak heeft van € 2.200,- maar van € 200,-.


1.3.2.

De minister heeft bij besluit van 16 mei 2012 (besluit 2) diverse bedragen met elkaar verrekend, waarbij aan appellant tevens wettelijke rente in rekening is gebracht.


1.3.3.

Appellant heeft zich op 11 januari 2012 ziek gemeld. Zijn leidinggevende heeft hem telefonisch meegedeeld dat die ziekmelding niet wordt geaccepteerd, maar dat hem bijzonder verlof zal worden verleend. Op 13 januari 2012 heeft appellant het spreekuur van de bedrijfsarts H bezocht. Deze heeft op 18 januari 2012 gerapporteerd dat er vooral sprake was van spanningsgerelateerde klachten, en dat dit geen reden was voor arbeidsongeschiktheid vanwege een medische reden in het kader van de Ziektewet. Bij e-mail van 28 februari 2012 heeft appellant de minister verzocht een beslissing over zijn ziekmelding te nemen, omdat hij naar zijn mening deze beslissing nodig had om een deskundigenoordeel bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) te kunnen aanvragen. Bij brief van

13 mei 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit naar aanleiding van zijn ziekmelding.


1.3.4.

Bij brief van 13 mei 2012 heeft appellant de minister in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op het tegen het ontslagbesluit gerichte bezwaar van 20 februari 2012. Bij brief van 25 mei 2012 is appellant bericht dat de brief van 13 mei 2012 in behandeling is genomen en dat die brief niet kan dienen als ingebrekestelling in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief.


1.3.5.

De minister heeft bij besluit van 1 augustus 2012 (besluit 3) vastgesteld dat ten onrechte doorbetaling van zijn salaris heeft plaatsgevonden waardoor er een restschuld is blijven staan van € 289,84.


1.3.6.

Bij e-mailbericht van 28 september 2012 (besluit 4) heeft de minister afwijzend beslist op het verzoek van appellant om aan hem € 25,- te betalen voor elke keer dat hij een van de minister afkomstig aangetekend stuk moet ophalen bij het postkantoor.


1.4.

Bij besluit van 4 april 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit naar aanleiding van de ziekmelding van appellant en het bezwaar tegen de brief van

25 mei 2012 zijn bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover het betreft de beslissing op het bezwaar tegen besluit 4, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar tegen besluit 4 niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep richt zich blijkens het verhandelde ter zitting niet langer tegen het oordeel en de beslissing van de rechtbank over het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond is verklaard.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Besluit 2 en besluit 3


4.1.1.

Ter zitting is gebleken dat de minister zich niet langer op het standpunt stelt dat een bedrag van € 16,54 aan wettelijke rente bij appellant in rekening mocht worden gebracht. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond zijn verklaard. In zoverre kan ook de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.


4.1.2.

Bij brief van 24 juli 2013 heeft de minister toegelicht hoe de bij besluit 3 vastgestelde restschuld is opgebouwd. Afgezien van de ten onrechte in rekening gebrachte wettelijke rente van € 16,54, is de berekening inzichtelijk en juist. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.


4.1.3.

Er is aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door besluit 2 en besluit 3 te herroepen voor zover daarbij € 16,54 aan wettelijke rente in rekening is gebracht.



Het verzoek van 28 februari 2012


4.2.1.

Door de mededeling van appellants leidinggevende op 11 januari 2012 in samenhang met het advies van de bedrijfsarts H, kon appellants verzoek van 28 februari 2012 niets anders betekenen dan dat hij uitsluitsel wenste over de vraag of hij vanaf 11 januari 2012 met ziekteverlof was. De Raad ziet geen grond waarom de minister niet verplicht zou zijn op dit verzoek over appellants rechtspositie een besluit te nemen. Nu de minister dit heeft nagelaten, was hij, anders dan in het bestreden besluit is overwogen, nalatig een besluit te nemen en had het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit bij het bestreden besluit gegrond moeten worden verklaard.


4.2.2.

Het bestreden besluit moet dan ook in zoverre worden vernietigd. Nu de rechtbank dit in de aangevallen uitspraak niet heeft onderkend, kan ook de aangevallen uitspraak op dit punt niet in stand blijven.


4.2.3.

Gelet op de inhoud van de gedingstukken ziet de Raad, uit het oogpunt van definitieve beslechting van het geschil, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door op het verzoek om ziekteverlof te beslissen. Vastgesteld kan worden dat appellant over het advies van de bedrijfsarts van 18 januari 2012 naar aanleiding van het bezoek op 13 januari 2012 geen deskundigenoordeel bij het Uwv heeft aangevraagd, ook niet nadat hij erop was gewezen dat daarvoor geen besluit van de werkgever nodig is. Voorts is niet gebleken van een aanvraag van appellant bij de minister om betaling van de bezoldiging na ontslag in verband met voortdurende ziekte of ziekte die is ontstaan binnen vier weken na het ontslag, zoals geregeld in artikel 38, eerste en tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Gelet op die omstandigheden alsmede het feit dat appellant geen andersluidende medische stukken heeft overgelegd, ziet de Raad geen grond om het advies van de bedrijfsarts van 18 januari 2012 niet te volgen. Het verzoek om ziekteverlof per 11 januari 2012 wordt afgewezen.


De ingebrekestelling


4.3.1.

In de brief van 25 mei 2012 heeft een administratief medewerker van de minister appellant naar aanleiding van de op 18 mei 2012 ontvangen ingebrekestelling meegedeeld dat deze in behandeling is genomen, dat de beslissing op bezwaar uiterlijk op 27 juni 2012 moet worden genomen en dat gelet daarop de beslistermijn op 18 mei 2012 nog niet was verstreken. Volgens de administratief medewerker kan de brief van 18 mei 2012 daarom niet dienen als ingebrekestelling als bedoeld in de Awb. Mocht de minister niet tijdig beslissen, dan kan appellant opnieuw een ingebrekestelling sturen.


4.3.2.

De Raad is met de rechtbank en de minister van oordeel dat de brief van 25 mei 2012, gelet op de inhoud en vorm daarvan, een informatief karakter heeft en daarom niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het hoger beroep kan op dit punt dan ook niet slagen.


Besluit 4


4.4.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om het bezwaar tegen besluit 4 niet-ontvankelijk te verklaren, nu dit bezwaar na afloop van de daarvoor geldende termijn is ingediend en van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet is gebleken.

4.4.2.

Appellant heeft ten aanzien van dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep aangevoerd dat geen rekening is gehouden met zijn belangen. Verder stelt appellant dat de minister ook langs andere weg dan door middel van het aangetekend versturen van poststukken, zekerheid kan verkrijgen dat appellant die poststukken ontvangt. Deze stellingen kunnen, wat daar overigens ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat geen sprake zou zijn van een onverschoonbare termijnoverschrijding. Het hoger beroep kan ook op dit punt niet slagen.


De secretaris van de bezwaaradviescommissie


4.5.1.

Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat de secretaris van de bezwaaradviescommissie niet onafhankelijk was. Deze stelling mist feitelijke grondslag, nu de rechtbank in rechtsoverweging 3.6 van de aangevallen uitspraak op dit punt is ingegaan. Dat de rechtbank niet de woorden ‘secretaris van de bezwaaradviescommissie’ maar ‘de jurist van het expertisecentrum’ heeft gebruikt, doet daaraan niet af, nu het om dezelfde persoon gaat.


4.5.2.

Artikel 7:13, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat dit artikel van toepassing is indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3414), geldt deze eis van onafhankelijkheid niet voor de secretaris van de commissie. De secretaris verricht ondersteunende werkzaamheden voor de adviescommissie. Het is niet de secretaris die de minister adviseert, maar de adviescommissie als onafhankelijk adviesorgaan die het advies uitbrengt. Deze hoger beroepsgrond kan dan ook niet slagen.


5. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 32,54 aan reiskosten in hoger beroep.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

4 april 2013 met betrekking tot de besluiten 2 en 3 en het niet tijdig nemen van een besluit

op het verzoek van appellant van 28 februari 2012 ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2013 met betrekking tot de besluiten 2 en 3

en het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van appellant van 28 februari 2012

gegrond en vernietigt het besluit van 4 april 2013 in zoverre;

- herroept de besluiten 2 en 3 voor zover daarbij € 16,54 aan wettelijke rente in rekening is

gebracht;

- verklaart het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van

appellant van 28 februari 2012 gegrond en wijst het verzoek om ziekteverlof per 11 januari

2012 af;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit

van 4 april 2013;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,-

vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 32,54.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) C.M. Fleuren




HD