Centrale Raad van Beroep, 09-04-2015 / 13-6971 MAW


ECLI:NL:CRVB:2015:1140

Inhoudsindicatie
Diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie. De minister heeft ten onrechte bepaald dat de periode waarin appellant bij PTT Post in dienst is geweest niet als diensttijd geldt voor de toekenning van de diensttijdgratificatie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-09
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-6971 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6971 MAW

Datum uitspraak: 9 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2013, 13/2519 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Overdam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Overdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. van den Boogaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 18 september 1976 tot 1 januari 1983 in dienst geweest bij het toenmalige staatsbedrijf der PTT in de functie van [naam functie A] en [naam functie B]. Het staatsbedrijf der PTT is met ingang van 1 januari 1989 geprivatiseerd. Een van de onderdelen was PTT Post. Appellant is per januari 1983 aangesteld bij de Koninklijke Landmacht.


1.2.

Bij besluit van 24 september 1990 heeft de minister bepaald dat de diensttijd van appellant aanvangt op 18 februari 1978 en aan appellant op 18 augustus 1990 een diensttijdgratificatie in verband met zijn twaalf-en-een-halfjarig ambtsjubileum toegekend. Op

1 februari 2003 heeft de minister appellant een diensttijdgratificatie in verband met zijn

25-jarig ambtsjubileum uitbetaald.


1.3.

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft de minister bepaald dat appellant op 29 april 2009 een diensttijd heeft van 25 jaar en hem in verband daarmee een diensttijdgratificatie toegekend. Daarbij is meegedeeld dat een herberekening zal plaatsvinden omdat de diensttijdgratificatie op 1 februari 2003 al is uitbetaald.


1.4.

De minister heeft bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) - voor zover thans nog van belang - het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2012 ongegrond verklaard. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de periode waarin appellant werkzaam is geweest bij PTT Post ten onrechte als diensttijd doorgebracht als overheidswerknemer is meegeteld. Daarbij heeft de minister de vaste gedragslijn gehanteerd dat iemand slechts als overheidswerknemer kan worden aangemerkt indien tijdens het betreffende dienstverband pensioenpremie aan het ABP is afgedragen. Nu is gebleken dat appellant in de periode van

18 september 1976 tot 1 januari 1983 niet als deelnemer bij het ABP was aangemeld, dient er van uit te worden gegaan dat er geen pensioenpremie is afgedragen, zodat hij niet is aan te merken als overheidswerknemer.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte en zonder wettelijke grondslag heeft bepaald dat de periode waarin hij bij PTT Post in dienst is geweest niet als diensttijd geldt voor de toekenning van de diensttijdgratificatie.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1°, van de Inkomstenregeling militairen (IRM) – voor zover van belang – geldt als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie mede de tijd doorgebracht als overheidswerknemer in de zin van artikel 2, eerste, tweede en zesde lid, van de Wet privatisering ABP (WPA). Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de WPA was appellant tijdens zijn dienstverband bij PTT Post in beginsel een overheidswerknemer in de zin van de WPA.


4.2.

In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de WPA zijn op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de WPA in verbinding met artikel 1, aanhef en onder h, van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de WPA (Regeling beperking) geen overheidswerknemer personen die incidenteel en voor een beperkte periode zijn aangesteld of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen om werkzaamheden te verrichten die vanwege een seizoen slechts voorkomen en verricht kunnen worden gedurende de periode van het dienstverband.


4.3.

Vaststaat dat appellant over een periode van bijna zes-en-een-half jaar in dienst is geweest bij PTT Post als [naam functie A] en [naam functie B]. Hieruit volgt niet dat appellant incidenteel en voor een beperkte periode bij PTT Post is aangesteld geweest of anderszins onder de in artikel 1, aanhef en onder h, van de Regeling beperking genoemde uitzonderingen viel. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant wel onder deze uitzonderingen viel. Door appellant met toepassing van de onder 1.4 genoemde gedragslijn niettemin onder deze uitzondering te brengen op de grond dat appellant niet als deelnemer bij het ABP was aangemeld, handelt de minister in strijd met de Regeling beperking. De minister heeft dan ook ten onrechte bepaald dat appellant eerst op 29 april 2009 een diensttijd heeft van 25 jaar en hem op die datum in verband daarmee een diensttijdgratificatie toegekend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.4.

De conclusie is dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2012 ongegrond is verklaard en dat besluit in zoverre vernietigen. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 26 juni 2012 te herroepen.


5. Er is aanleiding de minister te veroordelen in de (proces)kosten van appellant. Deze worden begroot op € 490,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.












BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 19 februari 2013 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2012 ongegrond is verklaard;
  • - herroept het besluit van 26 juni 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 19 februari 2013;
  • - bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 399,- vergoedt;
  • - veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.450,-.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra





IJ