Centrale Raad van Beroep, 09-04-2015 / 13-5848 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1141

Inhoudsindicatie
Het college was niet bevoegd om appellant ontslag op andere gronden te verlenen. Voor het door het college opgevoerde vertrouwensverlies bestond geen objectieve grond en het college heeft ten onrechte de arbeidsverhouding met appellant blijvend verstoord geacht. Tijdschrijven. Een en ander levert een beeld op van administratief gesteggel rondom het tijdschrijven, waarbinnen appellant wellicht geheel of ten dele abuis is geweest, maar, wat daarvan verder ook zij, de kwalificatie van niet-integer handelen aan de zijde van appellant past hier in elk geval niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-09
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-5848 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
Uitspraak

13/5848 AW

Datum uitspraak: 9 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

26 september 2013, 12/1528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Bruchhans hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Roose. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen

mr. M.C.J. van den Brekel, advocaat, C.N. Heijstek en R.W.J. Melissant.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie A] bij de gemeente Dordrecht. Op

28 november 2011 heeft zijn collega S, in vervolg op een op 25 november 2011 gevoerd gesprek, schriftelijk gemeld dat hij een collega van appellant, A, op enig moment in week 40 van dat jaar had horen zeggen dat zij op zaterdag 8 oktober 2011 dienst had, niet van plan was op die dag te komen, maar wel de uren van die dag zou schrijven. Van twee andere collega’s, aldus verder de brief, had S vernomen dat dit soort zaken vaker aan de orde is bij [naam afdeling].


1.2.

Naar aanleiding van de genoemde brief heeft het college oriënterend onderzoek verricht. Vervolgens heeft het college Hoffmann Bedrijfsrecherche BV (Hoffmann) opdracht gegeven te onderzoeken of er binnen de afdeling [naam afdeling] sprake is van tijdfraude, en zo ja, wie daarbij betrokken zijn en wat de aard en omvang van de fraude is. Op 20 februari 2012 heeft Hoffmann een rapport uitgebracht.


1.3.

Op 24 februari 2012 heeft het college appellant in kennis gesteld van zijn voornemen hem een disciplinaire straf op te leggen, dit vanwege het op vier dagen schrijven van meer uren dan de gewerkte uren, het overnemen van een vroege dienst van collega A op 8 oktober 2011 zonder deze te verwerken in het Uitvoeringsrooster terwijl A voor deze dienst wel uren heeft geschreven, alsmede een aantal uitlatingen, gedaan tegenover de rechercheurs van Hoffmann. Deze feiten leveren volgens het college ernstig plichtsverzuim op. Appellant is op

7 maart 2012 gehoord omtrent het voornemen. Hij heeft bij die gelegenheid een schriftelijke zienswijze overgelegd.


1.4.

Op 24 april 2012 heeft het college appellant laten weten niet te zullen overgaan tot strafoplegging, maar wel voornemens te zijn hem ontslag op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) te verlenen. Appellant heeft zijn zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar gemaakt. Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het college appellant, met ingang van 1 juli 2012, ontslag op de bedoelde grondslag verleend. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft het college het besluit van 21 juni 2012 in zoverre gewijzigd dat aan dat besluit een regeling wordt verbonden die gelijk is aan de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke uitkering ingevolge hoofdstuk 10d van de CAR/UWO. Dit besluit is betrokken in de bezwaarprocedure.


1.5.

Bij besluit van 30 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2012, zoals gewijzigd bij het besluit van 8 augustus 2012, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Het college stelt als gevolg van de gedragingen, genoemd onder 1.3, het vertrouwen in appellant te hebben verloren. Volgens het college is de arbeidsrelatie met appellant als gevolg van dit vertrouwensverlies ernstig verstoord en kan niet langer van de werkgever worden gevergd het dienstverband in stand te laten.


3.2.

De Raad ziet dat anders. Vastgesteld wordt allereerst dat het college ten aanzien van één van de vier dagen, genoemd in het voornemen tot strafoplegging van 24 februari 2012, zijn verwijt van het schrijven van te veel uren niet heeft gehandhaafd. Wat betreft de overige drie dagen is het volgende gebleken. Op 17 maart 2011 is appellant zijn werkzaamheden drie kwartier eerder begonnen dan naar zeggen van het college was voorgeschreven, op

11 april 2011 en 16 juni 2011 was dat een kwartier eerder. Volgens het college komt dit voor rekening van appellant en had hij deze tijd niet als gewerkte tijd mogen schrijven. Verder heeft appellant op de genoemde drie dagen een extra half uur geschreven vanwege het niet kunnen nemen van lunchpauze, hetgeen op zichzelf beschouwd was toegestaan, maar appellant heeft dit volgens het college ten onrechte niet in het tijdregistratiesysteem toegelicht. Een en ander levert een beeld op van administratief gesteggel rondom het tijdschrijven, waarbinnen appellant wellicht geheel of ten dele abuis is geweest, maar, wat daarvan verder ook zij, de kwalificatie van niet-integer handelen aan de zijde van appellant past hier in elk geval niet. Ook op het punt van het om 7.15 uur in plaats van om 8.30 uur beginnen van de werkzaamheden op 8 oktober 2011 gaat die kwalificatie te ver, nu appellant op dat punt enkel het niet verwerken van deze wijziging in het Uitvoeringsrooster valt aan te rekenen. Appellant is niet verantwoordelijk te houden voor de urenverantwoording door zijn collega A, te minder nu volgens het college niet aannemelijk is geworden dat hij kennis droeg van de wijze waarop A die verantwoording heeft vormgegeven. In zoverre is van een aanleiding tot vertrouwensverlies geen sprake en was er dus geen reden de arbeidsverhouding blijvend verstoord te achten.


3.3.

Die reden was evenmin gelegen in de opstelling van appellant in het kader van het onderzoek van Hoffmann en naar aanleiding van het voornemen tot strafoplegging. De uitlatingen die appellant in dit verband worden verweten, kunnen niet los worden gezien van het gegeven dat appellant werd geconfronteerd met vermoedens van plichtsverzuim en met mogelijke bestraffing als gevolg daarvan. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de gewone, dagelijkse gang van zaken op de werkvloer. Aan een ambtenaar mag niet de vrijheid worden ontzegd om in zo’n situatie, binnen de grenzen van het fatsoen, in het kader van zijn verweer datgene naar voren te brengen wat hem geraden voorkomt, zonder te hoeven vrezen voor het als gevolg daarvan opzeggen van het vertrouwen door zijn werkgever. Binnen deze context heeft appellant met zijn opmerkingen tegenover de rechercheurs van Hoffmann - het betreft onder meer de opmerking “Als ik zou stelen van een baas moet het voor minstens een miljoen of 30 zijn en dan zien ze mijn reet niet meer van het stof. Voor een paar uurtjes zet ik mijn baan niet op het spel” - de grenzen van het toelaatbare niet overschreden. Die grenzen heeft hij evenmin overschreden met de schriftelijke, op 7 maart 2012 overgelegde zienswijze naar aanleiding van het voornemen tot strafoplegging, met daarin onder meer de opmerking: “ik vraag mij hardop af of de resultaten niet al vaststonden voor het onderzoek werd gestart”. Dat geldt te minder nu het bij die zienswijze, naar appellant ter zitting van de Raad heeft benadrukt, ging om aantekeningen voor eigen gebruik, die appellant op verzoek van de werkgever na het gesprek op de genoemde datum heeft achtergelaten.


3.4.

Conclusie van het overwogene onder 3.2 en 3.3 is dat er voor het door het college opgevoerde vertrouwensverlies geen objectieve grond bestond en dat het college ten onrechte de arbeidsverhouding met appellant blijvend verstoord heeft geacht. Dat, zoals met name vanaf de bezwaarfase namens het college is benadrukt, appellant in juli 2011 een aanvaring met een collega heeft gehad die heeft geleid tot excuses van zijn kant, kan dat niet anders maken. Dat geldt zelfs al zou aan appellant naar aanleiding van deze aanvaring, die overigens dateert van ná een deel van de verweten gedragingen, een “laatste waarschuwing” zijn gegeven, hetgeen nadrukkelijk door hem wordt betwist. Het spreekt ten slotte voor zich dat gedragingen van appellant die hebben plaatsgevonden na het nemen van het ontslagbesluit al helemaal geen verandering kunnen brengen in de conclusie dat dat besluit een toereikende grondslag ontbeert.


3.5.

Het college was dus niet bevoegd om appellant ontslag op andere gronden te verlenen. Het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Ook het bestreden besluit moet, voor zover dit betrekking heeft op het ontslag, worden vernietigd. Aangezien het gebrek dat kleeft aan het ontslagbesluit van 21 juni 2012, zoals gewijzigd bij het besluit van

8 augustus 2012, zich niet leent voor herstel, zal de Raad ten slotte zelf in de zaak voorzien door deze besluiten te herroepen. Appellant heeft de Raad verzocht om bij wijze van voorziening te bepalen dat hij recht heeft op nabetaling van zijn bezoldiging. De aanspraak daarop vloeit echter al voort uit de herroeping van het ontslag, zodat een afzonderlijke voorziening niet nodig is. Voor de wijze waarop de nabetaling dient plaats te vinden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 5 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD5395.


4. Er is aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 980,-, in beroep tot een bedrag van € 980,- en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 980,-, alles voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2012 voor zover dit betrekking heeft op het ontslag;
  • - herroept de besluiten van 21 juni 2012 en 8 augustus 2012 en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit van

30 oktober 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellant betrokkene het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van in totaal € 395,-.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) M.S. Boomhouwer





MK