Centrale Raad van Beroep, 27-03-2015 / 13-2433 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1150

Inhoudsindicatie
Appellante heeft tegen de uitspraak van 17 oktober 2011 geen hoger beroep ingesteld, reden waarom deze gronden niet opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen. Geen grond om in het voorliggende geval van de in vaste rechtspraak neergelegde lijn af te wijken. Hieruit volgt dat uitsluitend nog de vraag voorligt of het Uwv de belastbaarheid van appellante ten aanzien van het persoonlijk functioneren per datum in geding juist heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft haar standpunt voldoende gemotiveerd. Appellante heeft ook in hoger beroep haar standpunt niet onderbouwd met objectieve, medische gegevens die toegespitst zijn op haar gezondheidstoestand ten tijde hier van belang. Bevestiging AU vzv aangevochten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-27
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-2433 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2433 WIA

Datum uitspraak: 27 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

16 april 2013, 12/420 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat, hoger beroep ingesteld en bij brief van 16 april 2014 nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op de nader ingezonden stukken van appellante.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante na de voorgeschreven wachttijd met ingang van 3 maart 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 20 juli 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 mei 2011, 10/4477, het beroep tegen het besluit van 20 juli 2010 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.


1.2.

Appellante heeft in april 2010 melding gedaan van verslechtering van haar gezondheid per 14 maart 2010 vanwege toename van klachten aan het bewegingsapparaat, in het bijzonder haar linkerschouder. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat op en na 14 maart 2010 appellante belastbaar is overeenkomstig de ten behoeve van de vorige beoordeling opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 december 2009. Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het Uwv appellante bericht dat er per 14 maart 2010 geen sprake is van toegenomen beperkingen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 3 februari 2011 ongegrond verklaard.


1.3.

Bij uitspraak van 17 oktober 2011, 11/1434, heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 3 februari 2011 vernietigd en bepaald dat het Uwv met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Onder het kopje Toename van klachten (r.o. 2.7) heeft de rechtbank geoordeeld “dat het besluit voor zover het betreft de gestelde toename van beperkingen als gevolg van de klachten van de schouder en de overige klachten op een voldoende medische grondslag berust. De beroepsgronden die hierop betrekking hebben slagen derhalve niet”. Onder het kopje Medicijngebruik (r.o. 2.10) heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv nader moet onderzoeken en motiveren of ten tijde hier van belang het gebruik door appellante van het middel Oxycontin al dan niet moet leiden tot het aannemen van verdergaande beperkingen ten aanzien van haar persoonlijk functioneren bij het verrichten van arbeid dan in de FML van 2 december 2009 is vastgesteld. Partijen hebben in deze uitspraak berust.


1.4.

Bij besluit van 16 december 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 augustus 2010 wederom ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 16 december 2011 beroep ingesteld. Bij tussenuitspraak van 30 juli 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of ten tijde van belang het gebruik door appellante van het middel Oxycontin al dan niet moet leiden tot het aannemen van verdergaande beperkingen ten aanzien van haar persoonlijk functioneren bij het verrichten van arbeid anders dan in de FML van 2 december 2009 is vastgesteld.


1.5.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak van 30 juli 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht en de FML van 2 december 2009 op 27 augustus 2012 bijgesteld met extra beperkingen in het persoonlijk functioneren in verband met concentratieklachten en klachten van duizeligheid en sufheid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de aangepaste FML van 27 augustus 2012 voor appellante functies geselecteerd en de mate van haar arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 13 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 augustus 2010 opnieuw ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij ten gevolge van het gebruik van het middel Oxycontin en haar overige klachten met ingang van 14 maart 2010 meer beperkt is dan door het Uwv met de FML van 27 augustus 2012 is aangenomen. Als gevolg hiervan kan zij de haar voorgehouden functies niet vervullen. Ook is naar haar mening haar vooropleiding voor de geduide functie van assistente consultatiebureau niet toereikend.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.


4.2.

In de uitspraak van de rechtbank van 17 oktober 2011 zijn de beroepsgronden van appellante met betrekking tot de bij haar aanvraag van 14 april 2010 gemelde, toegenomen klachten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, deze gronden niet opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen. De Raad ziet geen grond om in het voorliggende geval van de in vaste rechtspraak neergelegde lijn (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH0865) af te wijken. Hieruit volgt dat met betrekking tot de medische grondslag uitsluitend nog de vraag voorligt of het Uwv de belastbaarheid van appellante ten aanzien van het persoonlijk functioneren met ingang van

14 maart 2010 juist heeft vastgesteld.


4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat met het aannemen van de extra beperkingen in de rubriek persoonlijk functioneren onder de beoordelingspunten 1.1.1 (‘beperkt, kan de aandacht niet langer dan een half uur richten op één informatiebron’) en 1.9.9 (‘cliënt is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico’) voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante die voortvloeien uit het gebruik van Oxycontin en dat het Uwv het door de rechtbank geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 16 december 2011 kleeft met het bestreden besluit heeft hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 25 oktober 2012 voldoende gemotiveerd dat als appellante de medicatie chronisch gebruikt zij nauwelijks last zal hebben van concentratiestoornissen en sufheid. Dat onvoldoende rekening is gehouden met klachten van sufheid en duizeligheid, heeft appellante ook in hoger beroep niet onderbouwd met objectieve, medische gegevens die toegespitst zijn op haar gezondheidstoestand ten tijde hier van belang.


4.4.

De rechtbank heeft verder terecht vastgesteld dat appellante met inachtneming van de aldus vastgestelde beperkingen in de FML van 27 augustus 2012 in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen.


4.5.

Wat betreft de functie van assistente consultatiebureau wordt volgens de Arbeidsmogelijkhedenlijst als opleidingseis ‘Niveau VMBO’ gesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 11 juli 2013 voldoende gemotiveerd dat appellante gelet op de combinatie van haar opleiding en werkervaring aan deze eis voldoet. Daarbij merkt de Raad nog op dat anders dan appellante aanvoert het vervolgonderwijs niet per se VMBO-T behoeft te zijn om te voldoen aan de opleidingseis van deze functie.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) V. van Rij




NK