Centrale Raad van Beroep, 27-03-2015 / 13-1046 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1152

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uit de door appellant overlegde loonstroken van het refertejaar blijkt slechts van een bijdrage van de werkgever in verband met de levensloopregeling van € 120,24. Ook als dit bedrag wordt meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen blijft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35%.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-27
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
13-1046 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1046 WIA, 13/5574 WIA

Datum uitspraak: 27 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

31 januari 2013, 11/5200, 11/5205, 11/5579 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Bij brief van 15 juli 2014 heeft mr. Grégoire zich als gemachtigde teruggetrokken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN


1. In het geding 13/1046 gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 7 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 6 april 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 25 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor passende functies. Vergelijking van het maatmaninkomen met de mediane loonwaarde van de voor appellant geselecteerde functies resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daartoe de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.


3.1.

Appellant heeft in het geding 13/1046 in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak met betrekking tot het bestreden besluit te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Het geding 13/5574


4.1.

Ter zitting heeft appellant het hoger beroep in dit geding ingetrokken.


Het geding 13/1046


4.2.

Het hoger beroep in dit geding beperkt zich tot de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Ter zitting van de Raad heeft appellant te kennen gegeven dat hij de medische grondslag van het bestreden besluit niet langer betwist. Appellant heeft met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd dat de ten behoeve van de schatting geselecteerde functies voor hem niet passend zijn. Anders dan door de arbeidsdeskundigen is aangenomen, is hij niet in het bezit van een diploma van het atheneum; evenmin spreekt hij Frans. De functie van gereedschapsmaker is niet passend omdat, zo heeft appellant ter zitting toegelicht, hij geen affiniteit heeft met technische aspecten. Verder heeft appellant bij brief van 12 januari 2015 aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de vaststelling van het maatmaninkomen, omdat daarin de in de referteperiode uitbetaalde eindejaarsuitkering en het gereserveerde bedrag aan levensloopregeling ten onrechte niet zijn meegenomen.


4.3.1.

Uitgaande van de juistheid van de vaststelling door het Uwv van de medische beperkingen van appellant is gelet op de diverse arbeidskundige rapporten afdoende onderbouwd dat de belasting in de voor appellant geselecteerde functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt.


4.3.2.

In de drie functies waarop de schatting is gebaseerd, worden geen eisen gesteld ten aanzien van een atheneumdiploma of kennis van de Franse taal. Dat appellant geen affiniteit met techniek heeft, kan niet tot gevolg hebben dat de functie van gereedschapsmaker geen deel mag uitmaken van de theoretische schatting als hier aan de orde (zie de uitspraak van

27 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2593).


4.3.3.

Ook appellants standpunt dat zijn maatmaninkomen onjuist is vastgesteld wordt niet gevolgd. In de arbeidskundige rapporten is inzichtelijk gemotiveerd op welke wijze tot de vaststelling van het gehanteerde maatmaninkomen is gekomen. Met verwijzing naar het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is toegelicht dat het maatmaninkomen gebaseerd moet zijn op het SV-loon en niet op het brutoloon op grond waarvan appellant zijn berekening heeft gemaakt. De berekening van het SV-loon is gebaseerd op de loongegevens uit de polisadministratie van de werkgever. In navolging van het Uwv ziet ook de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van die gegevens te twijfelen. Ter zitting is komen vast te staan dat bij de berekening van appellant met betrekking tot de eindejaarsuitkering sprake is van een dubbeltelling. Met betrekking tot de levensloopregeling zal de Raad in het midden laten of in de loongegevens van de polisadministratie ten onrechte de bijdrage van de werkgever in de levensloopregeling niet is opgenomen, zoals door appellant is aangevoerd. Uit de door appellant overlegde loonstroken van het refertejaar blijkt slechts van een bijdrage van de werkgever in verband met de levensloopregeling van € 120,24. Ook als dit bedrag wordt meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen blijft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35%.


4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.3.3 volgt dat de rechtbank terecht de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft onderschreven. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkeringen, moet daarom worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) V. van Rij




NK4