Centrale Raad van Beroep, 10-04-2015 / 13-3935 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1160

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een overlijdensuitkering ingevolge de AOW. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar moeder ten tijde van het overlijden in gezinsverband leefden. Uit de stukken blijkt dat appellante op dat moment op een ander adres woonde dan haar moeder.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-10
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
13-3935 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3935 AOW

Datum uitspraak: 10 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 juni 2013, 12/4303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1967, heeft een aanvraag ingediend voor een overlijdensuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) in verband met het overlijden van haar moeder, [naam moeder], op 15 augustus 2011. De Svb heeft appellante bij besluit van 18 januari 2012 genoemde uitkering geweigerd op de grond dat niet voldaan is aan de voorwaarden, genoemd in artikel 18 van de AOW.


1.2.

Bij besluit van 18 juli 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen recht op een overlijdensuitkering, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat appellante ten tijde van het overlijden van haar moeder met haar in gezinsverband leefde. In dit verband is van belang geacht dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante en haar moeder op verschillende adressen woonachtig waren.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een overlijdensuitkering, omdat zij als enige de zorg over haar moeder had.


4.1.

De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de Svb en de rechtbank. Hij volstaat met te verwijzen naar de overwegingen in het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Deze overwegingen worden geheel onderschreven. Ook in hoger beroep heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar moeder ten tijde van het overlijden in gezinsverband leefden. Uit de stukken blijkt dat appellante op dat moment op een ander adres woonde dan haar moeder. Dat appellante (als enige) de verzorging voor haar moeder had, betekent nog niet dat sprake is geweest van een gezinsverband, zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW. Dit leidt tot het oordeel dat appellante geen aanspraak kan maken op een overlijdensuitkering.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) B. Fotchind



IvR