Centrale Raad van Beroep, 01-04-2015 / 14-4298 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1166

Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is vervallen verklaard bij uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3587.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
14-4298 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4298 AWBZ

Datum uitspraak: 1 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 juni 2014, 14/299 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK



PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


CAK heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B. Imhoff.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) maandelijks een bijdrage voor de kosten die samenhangen met zorg met verblijf (eigen bijdrage) in een AWBZ-instelling verschuldigd.


1.2.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft CAK de eigen bijdrage voor appellant vanaf

1 januari 2013 vastgesteld op € 499,16 per maand.


1.3.

Bij brief van 22 augustus 2013 heeft appellant naar voren gebracht dat zijn eigen bijdrage verlaagd dient te worden. CAK heeft deze brief opgevat als een verzoek om peiljaarverlegging en om aanpassing van de hoge eigen bijdrage. Bij besluit van 16 september 2013 heeft CAK dit verzoek afgewezen, omdat appellant per maand niet minder overhoudt dan de zak- en kleedgeldgrens. Bij besluit van 5 december 2013 heeft CAK het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 5 december 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat CAK bij de weigering tot aanpassing van de eigen bijdrage toepassing heeft gegeven aan artikel 10, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg (Bbz). Dit artikel bepaalt imperatief en limitatief wanneer tot peiljaarverlegging mag worden overgegaan en geeft CAK geen bevoegdheid van de vastgestelde berekening en de standaardpremie zorgverzekering af te wijken. De rechtbank volgt niet het betoog dat CAK bij de berekening is uitgegaan van onjuiste bedragen. Met de omstandigheid dat appellant schulden heeft, dat maandelijks in verband met beslag op zijn uitkering een bedrag wordt ingehouden, dat hij mantelzorg aan zijn moeder verleent en financieel bijdraagt aan het betalen van haar huur, kan geen rekening worden gehouden. De AWBZ en het Bbz voorzien bovendien niet in een hardheidsclausule die het mogelijk maken om de eigen bijdrage te matigen op grond van deze omstandigheden. De rechtbank heeft geoordeeld dat CAK terecht heeft vastgesteld dat appellant boven de zak- en kleedgeld norm van € 293,12 komt.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat CAK de peiljaarverlegging op juiste gronden heeft afgewezen, waardoor de vastgestelde eigen bijdrage onveranderd is gebleven. De rechtbank heeft bovendien ten onrechte de beroepsgronden van appellant beperkt tot een peiljaarverlegging en is niet ingegaan op de onjuiste berekening van de eigen bijdrage. Naar de mening van appellant is ten onrechte slechts rekening gehouden met een geschatte loonheffing in plaats van de werkelijke loonheffing respectievelijk met een te lage premie zorgverzekering waarbij tevens geen rekening is gehouden met het eigen risico zorgverzekering, met het derdenbeslag op de inkomsten van appellant en met de bepalingen van artikel 4 tot en met 6 van de Bijdrageregeling zorg AWBZ.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vaststaat dat de wetgever in de AWBZ, het Bbz en Bijdrageregeling zorg AWBZ heeft vastgelegd dat een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is voor verstrekte zorg. De wetgever heeft er voor gekozen om dit wettelijke beoordelingskader dwingend en limitatief vorm te geven. De regeling biedt, behoudens de peiljaarverlegging, geen mogelijkheid de eigen bijdrage in een concreet geval te matigen.


4.2.

Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgronden heeft beperkt tot peiljaarverlegging en niet is ingegaan op de onjuiste berekening van de eigen bijdrage. CAK heeft in het besluit van 18 januari 2013 de eigen bijdrage vastgesteld voor het jaar 2013. Ter zitting is namens CAK naar voren gebracht dat appellant bezwaar heeft ingesteld tegen dit besluit, maar dat tegen het besluit op bezwaar geen beroep is ingesteld. Hiermee is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent dat tegen de berekening van de eigen bijdrage, zoals opgenomen in het besluit van 18 januari 2013, niet meer kan worden opgekomen.


4.3.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat CAK overeenkomstig de in het Bbz neergelegde regels heeft vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een peiljaarverlegging. CAK heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 10, eerste lid, van het Bbz, waarin is opgenomen wanneer tot peiljaarverlegging wordt overgegaan. Niet is gebleken dat CAK de bedragen onjuist heeft vastgesteld. Anders dan appellant betoogt, had CAK bij de berekening geen rekening moeten houden met de werkelijke loonheffing, het eigen risico zorgverzekering, het derdenbeslag op de inkomsten van appellant en de bijdrage die appellant voor de huur van zijn moeder moet betalen. In artikel 10, eerste lid, van het Bbz, dat dwingend en limitatief is vorm gegeven, staat niet vermeld dat hiermee rekening gehouden dient te worden. Voorts wordt in artikel 10, eerste lid, van het Bbz uitgegaan van de standaardpremie zorgverzekering en niet van de werkelijke premie zorgverzekering. Nu CAK van deze standaardpremie is uitgegaan, kan het betoog van appellant dat van een te lage premie is uitgegaan, niet gevolgd worden. Bij de berekening of overgegaan kan worden tot peiljaarverlegging dient ook geen rekening gehouden te worden met de artikelen 4 tot en met 6 van de Bijdrageregeling zorg AWBZ.


4.5.

Niet gebleken is dat strikte toepassing van de dwingendrechtelijke regelgeving zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing van die regelgeving geen rechtsplicht kan opleveren.


4.6.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.




(getekend) H.C.P. Venema




(getekend) S. Aaliouli




NK