Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 13-4289 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1179

Inhoudsindicatie
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Met betrekking tot de verzekeringsgeneeskundige kant van de besluitvorming is er geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Op basis van de in beroep overgelegde medische stukken zijn er geen objectieve aanknopingspunten dat appellantes beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Over de Ergo-Kit Functionele Capaciteit Evaluatie verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 20 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA1202). Wat betreft de arbeidskundige kant betreft heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante in de belasting van de geduide functies niet wordt overschreden. Bevestiging AU.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
13-4289 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4289 WIA


Datum uitspraak: 3 april 2015


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

9 juli 2013, 13/1493 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F. van Nisselrooij, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 19 september 2008 uitgevallen voor haar werk als medewerker medisch archief, wegens schouderklachten. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek laten verrichten. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante forse beperkingen voor reguliere arbeid, voortkomend uit schouderklachten, heeft. Deze zijn verwoord in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige geen functies kunnen duiden en het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op 100%. Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 17 september 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2.

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het Uwv aan appellante bericht dat haar loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 17 augustus 2012 en dat aan haar vanaf die datum een WGA-loonaanvullingsuitkering wordt toegekend, waarbij de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Dit besluit is tevens meegedeeld aan de werkgever van appellante, [naam werkgever]. Haar werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.


1.3.

In bezwaar heeft onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante is aangewezen op fors schoudersparend werk en heeft dit neergelegd in de FML van 10 september 2012. Met inachtneming van deze FML heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 16,72%. Vervolgens heeft het Uwv meegedeeld dat zij het voornemen heeft tot wijziging van het besluit van 31 mei 2012. Appellante heeft naar aanleiding van dit voornemen bezwaren naar voren gebracht.


1.4.

Naar aanleiding van appellantes bezwaren heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep na eigen onderzoek geconcludeerd dat de beperkingen van appellante juist zijn weergegeven in de FML van 10 september 2012. Bij besluit van 30 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever tegen het besluit van 31 mei 2012 gegrond verklaard. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit het besluit van 31 mei 2012 herroepen en de

WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 1 april 2013 beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Appellante is tegen het bestreden besluit in beroep gekomen.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er gelet op de medische gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen redenen zijn om te twijfelen aan de volledigheid en zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de juistheid van het standpunt van het Uwv. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat appellante op de in geding zijnde datum niet in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid.


2.2.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van deze besluitvorming heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is toegelicht dat de belastbaarheid van appellante in de geduide functies niet wordt overschreden. Het betreft lichte arm- en handsparende werkzaamheden. Het Uwv heeft het aspect reiken voldoende toegelicht, alsmede de omstandigheid dat de maximale belastbaarheid van appellante, zoals weergegeven in de FML, in de geduide functies niet wordt gehaald. Voorts zijn er in de functies voldoende rustmomenten. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is terecht bepaald op minder dan 35%.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat het Uwv de ernst van haar beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante onder meer medische stukken vanuit de behandelend sector, een Ergo-Kit Functionele Capaciteit Evaluatie en een advies naar aanleiding van een verzekeringsgeneeskundige expertise van J.T.J.A. Klijn in het geding gebracht.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de verzekeringsgeneeskundige kant van deze besluitvorming vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft toereikend gemotiveerd dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de volledigheid en zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de juistheid van het standpunt van het Uwv. Na het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, medisch onderzoek en bestudering van de dossiergegevens, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 16 januari 2013 de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven en in het kader van de heroverweging gemotiveerd onderbouwd dat de aangenomen beperkingen overeenstemmen met het medisch feitencomplex en op een juiste wijze door de verzekeringsarts in de FML zijn weergegeven. Op de in beroep door appellante ingebrachte medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd dat al uit wordt gegaan van forse fysieke beperkingen, juist om een te grote prikkeling van de schoudergordel te voorkomen. Verder merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat de bij appellante gevonden afwijkingen passen bij de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de in beroep overgelegde medische stukken geen objectieve aanknopingspunten bevatten voor appellantes stelling dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat.


4.2.

Ook de in hoger beroep ingebrachte stukken geven geen aanleiding af te wijken van het oordeel van de rechtbank. Over de Ergo-Kit Functionele Capaciteit Evaluatie verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 20 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA1202), waarin is overwogen dat in verband met de gebruikte onderzoeksmethode de onderzochte persoon zelf, al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het onderzoek en aldus niet voorkomen zal kunnen worden dat de resultaten ervan mede afhankelijk zijn van diens medewerking aan het onderzoek. In zijn rapport van 1 oktober 2014 geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook aan dat de validiteit van dit onderzoek laag is en de omschreven beperkingen in vrijwel alle armbewegingen en armbelasting onvoldoende geobjectiveerd is. Naar aanleiding van de verzekeringsgeneeskundige expertise door Klijn heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 1 oktober 2014 en

31 december 2014 gemotiveerd toegelicht waarom dit niet leidt tot verdergaande beperkingen voor appellante. Volgens Klijn is er bij appellante sprake van een thoracic outlet syndroom, dat niet is meegenomen bij de vaststelling van de beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt daarover op dat deze aandoening niet gevonden is bij relevante onderzoeken die in de laatste tien jaar bij appellante zijn uitgevoerd. Bovendien wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat op basis van specifieke en gedetailleerde meting van de bewegingsuitslagen, naast de reguliere anamnese en onderzoeksactiviteiten, de belastbaarheid van appellante is vastgesteld. Daarbij is uitgegaan van chronische schouderklachten van appellante. Er is voldoende specialistische informatie aanwezig om de klachten van appellante te kunnen wegen, waarbij het al dan niet aanwezig zijn van het thoracic outlet syndroom geen grond is om meer beperkingen aan te nemen. De Raad volgt dan ook de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapporten dat er in hoger beroep geen objectieve medische bevindingen naar voren zijn gekomen op grond waarvan de belastbaarheid van appellante op de datum in geding anders zou moeten worden ingeschat.


4.3.

Wat betreft de arbeidskundige kant van deze besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante in de belasting van de geduide functies niet wordt overschreden. De gesignaleerde overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn door de arbeidsdeskundige en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar behoren gemotiveerd.


5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek van appellante om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) J.R. van Ravenstein




KvR