Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 13-5499 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1180

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
13-5499 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5499 WIA


Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

30 augustus 2013, 13/1455 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. Maats, advocaat. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als buschauffeur voor 40 uur per week. Vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet heeft appellant zich op 14 juni 2010 ziek gemeld vanwege lage rug- en buikklachten. Bij besluit van 16 juli 2012 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellant met ingang van 11 juni 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 juli 2012 en medische informatie van de behandelend sector overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze informatie in zijn beoordeling betrokken en overwogen dat het onmiskenbaar is dat appellant duidelijke afwijkingen heeft in de lage rug, maar dat de ernst van de invaliditeit die appellant claimt hiermee niet te verklaren is. Wel heeft hij in de aangedragen medische informatie en zijn eigen onderzoeksbevindingen aanleiding gezien tot aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ten aanzien van buigen, klimmen, duwen en trekken, zitten, knielen en staan tijdens het werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de nieuwe FML gemotiveerd dat van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies er voldoende functies passend zijn voor appellant en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid 23,09% is. Het bezwaar van appellant is bij besluit van

25 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, omdat appellant door de verzekeringsarts niet lichamelijk is onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant wel lichamelijk onderzocht. De rechtbank wijst er daarbij op dat naar vaste rechtspraak van de Raad het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet per definitie onzorgvuldig wordt geacht als lichamelijk onderzoek door de verzekeringsartsen achterwege wordt gelaten. De rechtbank heeft voorts geen grond gezien voor het oordeel dat de in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven beoordeling onjuist is. Het onderzoek door neuroloog S. Van Gulik op 17 oktober 2012 dateert van vier maanden na de datum in geding. Hierin wordt vermeld dat er sprake is van een sterke toename van klachten de laatste drie maanden. Het Uwv heeft in de omstandigheid dat bij dit onderzoek forse degeneratieve afwijkingen aan het licht zijn gekomen dan ook geen aanleiding hoeven zien om appellant op 11 juni 2012 (ruim vier maanden eerder) meer beperkt te achten. Uit informatie van orthopedisch chirurg A. Swets van 22 mei 2012 volgt dat er bij appellant op die datum sprake was van lage rugklachten bij een milde degeneratie. Dit onderzoek is dichterbij de datum in geding uitgevoerd dan het onderzoek van Van Gulik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erkend dat er bij appellant afwijkingen in de lage rug bestaan, maar dat de mate van invaliditeit die wordt geclaimd niet valt te verklaren uit de eigen onderzoeksbevindingen. Desondanks heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel meer beperkingen opgenomen voor wat betreft de rugfunctie. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat het Uwv de beperkingen van appellant op 11 juni 2012 in zoverre heeft onderschat. De rechtbank heeft met betrekking tot de duizeligheidsklachten vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen heeft aangenomen voor het werken met machines en op grote hoogte, ondanks het ontbreken van medisch objectiveerbare afwijkingen.


2.2.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat met de arbeidskundige rapporten van

13 juli 2012 en 24 januari 2013 voldoende is gemotiveerd dat de drie voor appellant geschikt geachte functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant zoals omschreven in de FML. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv meer beperkingen had moeten aannemen, in het bijzonder ten gevolge van zijn rugklachten met uitstralingen naar zijn beide benen en zijn duizeligheidsklachten. Neuroloog Van Gulik heeft verklaard dat de rugklachten myogeen van aard zijn en dat de beenklachten mogelijk kunnen worden verklaard door beknelling van de zenuwwortel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende rekening gehouden met deze informatie van Van Gulik.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Nu appellant in hoger beroep enkel de bij de rechtbank ingediende grond heeft herhaald, dat onvoldoende rekening is gehouden met de informatie van neuroloog Van Gulik van 23 oktober 2012 waardoor zijn beperkingen zijn onderschat, kan worden volstaan met een verwijzing naar de overwegingen 7 tot en met 10 van de aangevallen uitspraak. Ook de ter zitting herhaalde grond dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht en het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet uitgebreid is geweest, slaagt niet. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1976, maakt het achterwege blijven van lichamelijk onderzoek niet direct dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. In het onderhavige geval, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperkt lichamelijk onderzoek heeft verricht, is het onderzoek zorgvuldig te achten, gelet op het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant tijdens de hoorzitting heeft gezien en alle beschikbare medische informatie van de behandelend sector bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Voorts overweegt de Raad dat afdoende door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is gemotiveerd dat de voorgehouden functies geschikt zijn te achten voor appellant.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) J.R. van Ravenstein




KvR