Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 14-1319 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1188

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand. Appellant heeft de waarde van de woning niet aannemelijk gemaakt. Geen recht op bijstand bestaat indien bezit van vermogen daaraan in de weg staat. Nu daarover geen duidelijkheid bestaat, heeft het college terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstand behoevende omstandigheden heeft verkeerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
14-1319 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1319 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

23 januari 2014, 13/5263 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roethof en [B.]. Als tolk is verschenen M.A.A. Priem. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 28 november 2011 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Bij besluit van 23 maart 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat appellant onvoldoende informatie had verstrekt over de waarde van een onroerend goed in Turkije waarvan hij mede-eigenaar is. Appellant heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.


1.2.

Hangende de bezwaarprocedure heeft het college bij besluit van 29 oktober 2012 appellant bijstand toegekend over de periode van 20 juli 2011 tot en met 12 juni 2012. Dit besluit is genomen als gevolg van een gegrond beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn eerdere aanvraag om bijstand van 20 juli 2011.


1.3.

Bij besluit van 17 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 maart 2012 in zoverre gegrond verklaard dat (opnieuw) bijstand is toegekend tot en met 12 juni 2012. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. Aan afwijzing van de gevraagde bijstand met ingang van 13 juni 2012 is ten grondslag gelegd dat appellant nog altijd niet met verifieerbare stukken de waarde van het onroerend goed in Turkije aannemelijk heeft gemaakt.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Met de rechtbank, en met instemming van partijen, wordt de te beoordelen periode in het onderhavige geschil vastgesteld op 13 juni 2012 tot en met 17 juni 2013 (de datum van het bestreden besluit).


4.2.

Allereerst wordt vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant voor een vijfde deel aanspraak kan maken op de erfenis van zijn overleden moeder en dat de woning in Turkije tot de erfenis behoort. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld uitspraak van 30 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3190) wordt een betrokkene geacht redelijkerwijs te kunnen beschikken over zijn aandeel in de eigendom van de nog altijd op naam van de overleden ouder staande onroerende zaken, ook wanneer sprake is van een aandeel in een nog niet verdeelde erfenis. Er bestaat geen aanleiding in dit geval daarover anders te oordelen. De andersluidende grond van appellant slaagt derhalve niet.


4.3.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Toegespitst op het onderhavige geval betekent dit dat het in eerste instantie aan appellant is om aannemelijk te maken dat het vermogen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, namelijk zijn aandeel in de woning in Turkije, geen waarde vertegenwoordigt die de grens van het vrij te laten vermogen te boven gaat.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de woning in Turkije een waarde vertegenwoordigt tussen de 58.000 en 62.000 Turkse lira (TRY), daarom niet meer dan € 25.000,-. Met zijn 1/5 aandeel blijft appellant daarmee onder de voor hem geldende vermogensgrens. Deze door hem gestelde waarde heeft hij onderbouwd met twee summiere rapporten vanuit Turkije, documenten met betrekking tot eigenaarslasten van de woning en een eigendomsbewijs waaruit, stelt hij, de oppervlakte van de woning blijkt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de door hem verstrekte informatie te summier is om de gestelde waarde van de woning te onderbouwen, aldus appellant.


4.5.

Deze grond slaagt niet. Het eerste door appellant overgelegde rapport, opgesteld door een Adviesbureau Vastgoed, vermeldt niet meer dan het adres van de woning en dat het gaat om één verdieping in een gebouw van gewapend beton. Het tweede door appellant overgelegde rapport, blijkens de vertaling opgesteld door een makelaarskantoor, vermeldt dat de op de bijgevoegde foto afgebeelde woning (met andere adresgegevens dan in het eerste rapport) grenst aan de hoofdstraat, voorzien is van elektriciteit, water en gas en dat de woonruimte in gebruik is. Op de overgelegde eigendomsakte (daterend uit 2009, voor het overlijden van de moeder van appellant) is een kaveloppervlakte vermeld van 290 m2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat met deze stukken onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe de waarde is vastgesteld. Informatie over vergelijkbare onroerende zaken in de nabije omgeving, de ouderdom en onderhoudstoestand van de woning en in de woning aanwezige voorzieningen, zoals sanitair, keuken en verwarming, ontbreekt immers. Bovendien heeft appellant ook onvoldoende duidelijkheid verschaft over de op de woning rustende hypotheek, waarmee kennelijk een bedrag van TRY 300.000,- in depot is verkregen. Zijn pas ter zitting van de Raad ingenomen stelling dat slechts een geldlening is verstrekt ter hoogte van TRY 75.000,- en dat de rest van het verstrekte bedrag als boete verschuldigd is indien niet wordt terugbetaald, doet aan deze onduidelijkheid niet af. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, lijkt het op het eerste gezicht niet aannemelijk dat een (veel) hogere lening wordt verstrekt dan kennelijk benodigd, ter voldoening van een eventuele boete, terwijl een onroerende zaak, die veel minder waard is, als onderpand van de lening is verstrekt.


4.6.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellant de waarde van de woning niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat appellant in Nederland wellicht in een financieel penibele situatie verkeert, laat onverlet dat geen recht op bijstand bestaat indien bezit van vermogen daaraan in de weg staat. Nu daarover geen duidelijkheid bestaat, heeft het college terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd.


4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C.H. Rombouts en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren



HD