Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 13-5328 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1189

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand. Terugvordering van verleende voorschotten. Schending van de inlichtingenverplichting door onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over de feitelijk woonadres en over de leefsituatie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
13-5328 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5328 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 augustus 2013, 12/4684 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V.V. Tuchkova.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 23 februari 2012 bij het UWV Werkbedrijf gemeld om bijstand aan te vragen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Na een zoektijd van vier weken heeft appellant uiteindelijk in mei 2012 een aanvraag om bijstand ingediend. Appellant heeft opgegeven inwonend te zijn bij zijn zus op het adres [adres nr.] 8303 te Zeist (opgegeven adres). Hij staat sinds 25 oktober 2011 ingeschreven op dit adres. Daarvoor stond hij ingeschreven op het adres [adres nr.] 7217 te Zeist, het adres van zijn broer. Tijdens het intakegesprek op 15 juni 2012 heeft appellant verzocht bijstand te verlenen met ingang van 23 februari 2012. Op 23 april 2012, 31 mei 2012 en 16 juli 2012 heeft appellant voorschotten ontvangen tot een bedrag van in totaal € 1.845,-.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag om bijstand hebben handhavingsspecialisten van de Regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug (handhavingsspecialisten) een onderzoek ingesteld naar onder meer de woonsituatie van appellant. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten op 18 juli 2012 een gesprek gevoerd met appellant. Tijdens dat gesprek heeft appellant een beschrijving gegeven van zijn kamer op het opgegeven adres. De handhavingsspecialisten hebben tijdens dat gesprek kenbaar gemaakt aansluitend een huisbezoek te willen afleggen aan dat adres. Daarbij hebben de handhavingsspecialisten appellant meegedeeld dat de eventuele weigering om mee te werken aan het beoogde huisbezoek geen consequenties zou hebben voor de beoordeling van het recht op bijstand. Appellant heeft geen toestemming gegeven voor het afleggen van een huisbezoek, maar heeft de handhavingsspecialisten wel toestemming gegeven om zijn kamer op het opgegeven adres door het raam vanaf de galerij te bekijken. Vervolgens hebben de handhavingsspecialisten in de periode van 18 juli 2012 tot en met 27 juli 2012 waarnemingen verricht in de omgeving van het opgegeven adres, alsmede in de omgeving van het adres van de ouders van appellant.

De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport intensief controle onderzoek van

19 (lees: 27) juli 2012 en een rapport aanvraag WWB van 31 juli 2012. In deze rapporten wordt geconcludeerd dat appellant de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.3.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft het college de verleende voorschotten tot een bedrag van

€ 1.845,- van appellant teruggevorderd. De bezwaren tegen deze besluiten heeft het college bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over zijn feitelijk woonadres en over zijn leefsituatie. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Aangezien appellant zich op 23 februari 2012 heeft gemeld om bijstand aan te vragen en heeft verzocht om toekenning van bijstand met terugwerkende kracht tot die datum, ligt ter beoordeling voor de periode van 23 februari 2012 tot en met 31 juli 2012. Gelet op de verklaring die appellant op 18 juli 2012 heeft afgelegd en op de waarnemingen in de periode van 18 tot en met 27 juli 2012, heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden door geen juiste en volledige informatie over zijn woonsituatie te verstrekken. De verrichte waarnemingen zijn niet onrechtmatig. Appellant heeft immers toestemming gegeven om zijn kamer vanaf de galerij te bekijken. In de verklaring van appellant op 18 juli 2012 over zijn kamer en de werkelijke situatie van die kamer heeft het college aanleiding mogen zien nader onderzoek in te stellen naar de daadwerkelijke woonsituatie van appellant. Het daarvoor door het college gebruikte middel, te weten het verrichten van twee waarnemingen van een aantal minuten per dag om te kijken waar de auto van appellant stond geparkeerd, maakt geen dusdanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat dit middel niet geoorloofd zou zijn. Nu appellant geen duidelijkheid over zijn woonsituatie heeft verschaft, heeft hij niet voldaan aan de op hem op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. Alle voorschotten zijn verstrekt in de periode waarop de aanvraag ziet. De beroepsgrond dat tot een te hoog bedrag aan voorschotten is teruggevorderd, omdat het in april 2012 verstrekte voorschot buiten de aanvraagperiode valt, slaagt daarom niet.


3. Appellant betwist in hoger beroep de juistheid van de aanvraagdatum en in verband daarmee ook de bevoegdheid tot terugvordering van het in april 2012 verstrekte voorschot. Voorts voert appellant aan dat hij juiste inlichtingen over zijn woonsituatie heeft verstrekt en dat het huisbezoek op 18 juli 2012 onrechtmatig was, omdat daarvoor geen redelijke grond aanwezig was. Ten slotte voert appellant aan dat het middel van waarnemingen niet mocht worden gebruikt, omdat er geen directe aanleiding bestond om dit middel in te zetten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, ligt hier ter beoordeling voor de periode van 23 februari 2012, de door appellant beoogde ingangsdatum van de bijstand, tot en met 31 juli 2012, de datum van het besluit waarbij de aanvraag is afgewezen. Reeds omdat appellant bijstand heeft aangevraagd met ingang van 23 februari 2012 is, anders dan appellant stelt, de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden, door deze datum als aanvangsdatum van de beoordelingsperiode te markeren.


4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de in onderdeel 2 kort weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en die in essentie een herhaling vormen van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd, vormen geen aanleiding om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.


4.3.

Vaststaat dat de handhavingsspecialisten op 18 juli 2012 de woning niet zijn binnengetreden. Er heeft op die datum derhalve geen huisbezoek plaatsgevonden, zodat het al dan niet aanwezig zijn van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek niet aan de orde is. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BO7393.


4.4.

Wat appellant op 18 juli 2012 heeft verklaard over zijn woonsituatie, komt niet overeen met de waarnemingen van zijn kamer op die datum. Zo heeft appellant verklaard dat zijn kleding nog in vuilniszakken zat en dat zijn administratie en telefoonoplader zich in de kamer bevonden. De handhavingsspecialisten hebben echter geen vuilniszakken gezien, noch administratie, noch een telefoonoplader. Wel is waargenomen dat het in de kamer aanwezige bed te klein was voor een volwassene om in te slapen en dat in de kamer een koffer en een sporttas stonden. Tijdens het gesprek op 18 juli 2012 heeft appellant niet gesproken over de aanwezigheid van een koffer en een sporttas in de kamer, terwijl hem wel expliciet is gevraagd zijn kamer te beschrijven. Tijdens de waarnemingen in de periode van 18 tot en met 27 juli 2012 is de auto van appellant geen enkele keer voor de woning op het opgegeven adres aangetroffen, maar wel regelmatig voor de woning van zijn ouders. Op grond van deze bevindingen heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie en daarmee de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) M.S. Boomhouwer




RB