Centrale Raad van Beroep, 09-04-2015 / 13-5930 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1194

Inhoudsindicatie
Disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim. Ambtenaar belastingdienst. Eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Voor de gepleegde fraude is kennis van de systemen en werkwijze van de Belastingdienst nodig. Appellant is geautoriseerd voor het raadplegen van het desbetreffende systeem. De gedingstukken bevatten onvoldoende steun voor de stelling van appellant dat hij ten onrechte wordt aangezien voor de hoofdrolspeler in de fraudezaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-09
Publicatiedatum
2015-04-16
Zaaknummer
13-5930 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5930 AW

Datum uitspraak: 9 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

24 september 2013, 12/3016 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.E.A. Runtuwene hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Runtuwene. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.K. Eisma, L. Nijboer en H. Siemens.

OVERWEGINGEN

1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als verwerende partij aangemerkt de Minister van Financiën. Het bij de rechtbank bestreden besluit van 6 november 2012 inzake de toepassing van artikel 81 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is echter genomen door de staatssecretaris, die daartoe ook bevoegd is. Daarom heeft de Raad de staatssecretaris als partij aangemerkt en verbindt hij aan deze misslag in de aangevallen uitspraak geen gevolgen.


2.1.

Appellant is sinds 1997 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk als behandelfunctionaris groepsfunctie F. In die functie was hij belast met het controleren van belastingaangiftes van ondernemers.


2.2.

In augustus 2010 zijn onregelmatigheden in de afhandeling van aangiftes omzetbelasting aan het licht gekomen, waarnaar de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (Fiod) een strafrechtelijk onderzoek heeft ingesteld. Naar aanleiding van dit onderzoek is appellant op

28 februari 2011 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij het plegen van valsheid in geschrifte, oplichting, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie.


2.3.

Op verzoek van de Belastingdienst heeft het Openbaar Ministerie een kopie van het overzichtsprocesverbaal met bijlagen verstrekt. Uit de daarin neergelegde bevindingen komt naar voren dat de uitbetaling van negatieve aangiftes omzetbelasting in vier gevallen niet heeft plaatsgevonden op het bankrekeningnummer van de desbetreffende ondernemers, maar op bankrekeningnummers op naam van [K.] voor deze betalingen zijn de bij de Belastingdienst bekende bankrekeningnummers gewijzigd met een daartoe bestemd formulier “Wijziging Rekeningnummer ondernemers”. Twee ondernemers bleken een brief uit naam van de Belastingdienst te hebben ontvangen met de mededeling dat de Belastingdienst een verzoek heeft ontvangen om het voor de loonheffing gebruikte rekeningnummer te wijzigen. Eén ondernemer heeft daarop niet gereageerd omdat deze onderneming niet aan loonheffing onderhevig is. De andere ondernemer heeft niet gereageerd omdat hij in dezelfde periode een brief uit naam van de Belastingdienst heeft ontvangen met daarin de mededeling dat de brief over het gewijzigde rekeningnummer ten onrechte was verzonden. Een vijfde ondernemer wiens rekeningnummer eveneens zonder zijn medeweten is gewijzigd, heeft een soortgelijke brief ontvangen. In zijn geval is de negatieve aangifte omzetbelasting echter verrekend met een openstaande belastingschuld, zodat het niet tot uitbetaling op een rekening van C is gekomen.


2.4.

In het overzichtsproces-verbaal zijn drie personen als verdachten van de in het geding zijnde fraude aangemerkt. Te weten C, P en appellant. C heeft haar aandeel in de fraude erkend, maar heeft niets kunnen verklaren omtrent de identiteit van degene in wiens opdracht zij een drietal bankrekeningen heeft geopend en de daarbij behorende bescheiden aan P heeft afgegeven. P heeft eveneens in opdracht de door de belastingdienst op de bankrekeningen van C gestorte bedragen opgenomen en heeft daarvan gouden (beleggings)munten en gouden sieraden gekocht. P heeft zijn aandeel in de fraude erkend en heeft appellant - al dan niet in bedekte termen - genoemd als zijnde de opdrachtgever.


2.5.

De bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek zijn voor de staatssecretaris aanleiding geweest om, nadat hij zijn voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant daarop zijn zienswijze had gegeven, bij besluit van 21 juni 2012 appellant met ingang van de tweede dag na dagtekening de disciplinaire straf van ontslag op te leggen op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR. Aan het ontslag is ten grondslag gelegd dat appellant zich aan zeer ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De staatsecretaris verwijt appellant dat hij:

a. a) de aan hem verleende autorisaties voor het raadplegen van de bestanden Werkplekmigratie Loonbelasting Omzetbelasting (WLO) en Interne Klant Behandeling (IKB) heeft misbruikt voor het uitvoeren van frauduleuze handelingen (valsheid in geschrift, oplichting, witwassen en deelname aan een criminele organisatie);

b) valsheid in geschrift heeft gepleegd door verzoeken tot wijziging van een rekeningnummer in te dienen en in ten minste twee gevallen een brief te schrijven uit naam van de Belastingdienst;

c) door zijn handelwijze de Belastingdienst financieel nadeel heeft toegebracht;

d) door zijn handelwijze de Belastingdienst in diskrediet heeft gebracht;

e) zich niet heeft gedragen zoals van een goed ambtenaar mag worden verwacht.


2.6.

Bij vonnis van 21 januari 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland in de strafzaak appellant voor het plegen van valsheid in geschrift, oplichting en poging tot oplichting, witwassen en deelname aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Appellant heeft tegen dit vonnis hoger beroep bij het gerechtshof ingesteld.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat de bereikbare gegevens voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Voor de gepleegde fraude is specifieke kennis van de werkwijze van de Belastingdienst vereist, die alleen door of met behulp van een medewerker van de Belastingdienst kan worden verkregen. Appellant beschikt over deze kennis en alle onderzoeksbevindingen van de FIOD wijzen in de richting van appellant. Daarbij heeft de rechtbank onder meer verwezen naar het op zijn zakelijke laptop aangetroffen bestand, dat nagenoeg gelijk is aan de brief die ondernemers uit naam van de Belastingdienst hebben ontvangen over de onterechte wijziging van hun rekeningnummer en op de verklaringen van P tegenover de Fiod waarin hij impliciet danwel expliciet appellant als de opdrachtgever heeft aangewezen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en hetgeen zij in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hij verwijst naar deze overwegingen en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.


4.2.

De Raad ziet geen aanleiding het hoger beroep aan te houden totdat uitspraak in hoger beroep is gedaan inzake de strafzaak van appellant, zoals hij heeft verzocht, nu het in het onderhavige geval gaat om een disciplinaire maatregel en de beoordeling daarvan in beginsel los staat van het oordeel in het strafproces.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5553) behoort een disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Daarbij kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van uit strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens.


4.4.

Vaststaat dat voor de gepleegde fraude kennis van de systemen en werkwijze van de Belastingdienst nodig is. Daarnaast is voor de fraude een combinatie van gegevens nodig die alleen kan worden verkregen door een persoon die toegang heeft tot en kennis heeft van de systemen die door de Belastingdienst worden gebruikt. En voor de brief die uit naam van de Belastingdienst is verzonden aan drie ondernemers, inhoudende dat de Belastingdienst ten onrechte een brief heeft verzonden inzake de wijziging van een rekeningnummer, dient

- als deze al niet is aangemaakt binnen de Belastingdienst - de opsteller en verzender in ieder geval te hebben beschikt over het briefpapier van de Belastingdienst waarop deze brieven zijn afgedrukt.


4.5.

Voor de hier gepleegde fraude is verder vereist dat bekend is door welke ondernemer een negatieve aangifte omzetbelasting is ingediend. Appellant is geautoriseerd voor het raadplegen van het systeem WLO. Dit systeem bevat de algemene en fiscale klantgegevens van iedere ondernemer die in Nederland is gevestigd met een vaste inrichting. Een negatieve aangifte omzetbelasting wordt ’s nachts verwerkt en is de volgende dag in het systeem WLO raadpleegbaar. Bij de hier gepleegde fraude betrof het specifiek ondernemers die een negatieve aangifte hebben gedaan waarbij de negatieve norm is overschreden. Aan deze aangiften wordt door de Belastingdienst een zogenoemde berichtcode 302 toegekend. Via het systeem WLO kan een overzicht van de berichtcodes 302 van die dag worden geraadpleegd en geprint. Appellant heeft betoogd dat hij niet geautoriseerd was om de berichtcode 302 in te zien van ondernemers die hij niet in zijn klantenpakket heeft. De staatssecretaris heeft blijkens een e-mail van 19 juni 2012 verschillende medewerkers van het belastingkantoor Maastricht die geautoriseerd waren voor het systeem WLO het overzicht van de berichtcode 302 van

19 juni 2012 uit laten printen. K, specialist Omzetbelasting, heeft vervolgens bij P en T navraag gedaan of het raadplegen per regio kan verschillen. Dit bleek niet het geval, iedereen met een autorisatie WLO kan de berichtcode 302 raadplegen en printen. Hieruit volgt dat, anders dan appellant heeft betoogd, voor het raadplegen en printen van de berichtcode 302 geen andere autorisatie dan die voor raadplegen nodig is.


4.6.

De gegevens die noodzakelijk zijn voor wijziging van het bankrekeningnummer kunnen worden verkregen uit het systeem IKB. Appellant is geautoriseerd voor het raadplegen van dit systeem. Hij heeft betoogd dat in de systemen WLO en IKB niet het rekeningnummer van de ondernemer staat vermeld, wat nodig zou zijn om het betreffende rekeningnummer te wijzigen. De staatssecretaris heeft dit bestreden door er op te wijzen dat het formulier “Wijziging Rekeningnummer ondernemers” niet vraagt naar het te wijzigen rekeningnummer.


4.7.

De gedingstukken bevatten onvoldoende steun voor de stelling van appellant dat hij ten onrechte wordt aangezien voor de hoofdrolspeler in de fraudezaak. Daarvoor is in ieder geval onvoldoende de inhoud van de niet ondertekende en op 28 juni 2012 gedateerde brief van P aan appellant waarin P verklaart dat het in de woning van appellant aangetroffen geldbedrag, het spaargeld van appellant is; dat hem bij zijn verhoor door de Fiod woorden in de mond zijn gelegd en dat appellant geen enkele betrokkenheid bij de fraudezaak heeft. Dat er, zoals appellant heeft gesteld, nog meer onderzoek had kunnen worden gedaan, maakt niet dat de uitkomsten van het onderzoek niet voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat appellant zich aan de verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.


4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra



HD