Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 14-1081 WWB-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1213

Inhoudsindicatie
Appellant heeft zich voor het eerst op 9 mei 2012 gemeld om bijstand aan te vragen. Niet in geschil is dat appellant op 24 oktober 2012 een beroep heeft gedaan op de Wah en, daarmee samenhangend, bijstand met terugwerkende kracht heeft aangevraagd. Voorts staat vast dat appellant onder de doelgroep van de huishoudinkomenstoets viel en door afschaffing van de huishoudinkomenstoets bij de Wah niet meer. Uit artikel 78x, eerste lid, van de WWB en de wetsgeschiedenis vloeit voort dat in dat geval bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan. In het geval van appellant heeft het college ten onrechte nagelaten een standpunt in te nemen over de vraag of appellant met terugwerkende kracht, in dit geval met ingang van de door hem beoogde datum van 9 mei 2012, in aanmerking kan komen voor bijstand. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het college wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-16
Zaaknummer
14-1081 WWB-T
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/1081 WWB-T

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

7 januari 2014, 13/3115 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A. van de Grint, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Lokven en

J.P.C. Schouten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is woonachtig bij zijn moeder, die bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 9 mei 2012 heeft appellant zich bij de gemeente ’s-Hertogenbosch gemeld voor het aanvragen van bijstand. Dit contact heeft niet geleid tot een aanvraag. Appellant heeft zich vervolgens op 24 oktober 2012 gemeld om bijstand aan te vragen met terugwerkende kracht per 9 mei 2012 in verband met de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets (Wah).

1.2.

Bij besluit van 12 december 2012 heeft het college aan appellant met ingang van 24 oktober 2012 bijstand toegekend. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de bijstand niet eerder aanvangt dan de dag waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Er bestaan geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

1.3.

Bij besluit van 10 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant nadat hij zich op 9 mei 2012 had gemeld, niet zo spoedig mogelijk de aanvraag om bijstand heeft ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit dat gericht was tegen de ingangsdatum van de bijstand, ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat ten tijde van zijn melding op

9 mei 2012 aan hem is meegedeeld dat hij niet in aanmerking zou komen voor bijstand in verband met de huishoudinkomenstoets. Om die reden heeft appellant geen met de bijstand verband houdende activiteiten bijgewoond en is het niet tot een aanvraag gekomen. Hij heeft daarom ook niet de berichtgeving op de website van de gemeente gevolgd waaruit hem had kunnen blijken dat de huishoudinkomenstoets zou worden afgeschaft. Appellant is daar ook niet op andere wijze over geïnformeerd, zodat deze berichtgeving hem pas in de loop van oktober 2012 ter ore kwam, waarna hij zich op 24 oktober 2012 opnieuw heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 78x, eerste lid, van de WWB is bepaald dat aan een persoon die zich tussen 26 april 2012 en twee maanden na publicatie van de Wah in het Staatsblad heeft gemeld om bijstand aan te vragen en van wie het college heeft vastgesteld dat hij als gevolg van de inwerkingtreding van de Wah recht heeft op bijstand, bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan. Deze dag kan, in afwijking van artikel 44, eerste lid, van de WWB, liggen voor de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld, doch niet voor 1 januari 2012.


4.2.

Het in 4.1 weergegeven artikel is in de WWB opgenomen bij de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de WWB in verband met de herziening van de definities van gezin en middelen, Stb. 2012, 322 (Wet afschaffing huishoudinkomenstoets). De Wah is in werking getreden op 18 juli 2012. Uit het algemene gedeelte van de memorie van toelichting bij deze wet (Kamerstukken II 2011/12, 33 277, nr. 3, blz. 1) komt, voor zover van belang, naar voren dat gemeenten is verzocht te anticiperen op het wetsvoorstel. Daarnaast volgt uit het artikelsgewijze gedeelte van de memorie van toelichting dat indien aan de voorwaarden genoemd in artikel 78x, eerste lid, van de WWB is voldaan, bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan.


4.3.

Niet in geschil is dat appellant een beroep heeft gedaan op de Wah en, daarmee samenhangend, bijstand met terugwerkende kracht heeft aangevraagd. Appellant heeft zich tussen 26 april 2012 en 18 september 2012 gemeld om bijstand aan te vragen, namelijk op

9 mei 2012. Voorts staat vast dat appellant bij zijn moeder woonde, dat zij inkomen had en dat appellant daarmee onder de doelgroep van de huishoudinkomenstoets viel. Door afschaffing van de huishoudinkomenstoets bij de Wah viel appellant niet langer onder deze doelgroep. Uit artikel 78x, eerste lid, van de WWB en de wetsgeschiedenis vloeit voort dat in dat geval bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan.


4.4.

Het college stelt dat al ten tijde van de melding op 9 mei 2012 werd geanticipeerd op de Wah en dat bijstandsaanvragen van personen op wie die toets nog van toepassing was, werden ingenomen en verder in procedure werden gebracht. Verder is vanaf juli 2012 via de website van de gemeente voldoende voorlichting gegeven over de afschaffing van de huishoudinkomenstoets. Beide omstandigheden doen er niet aan af dat toepassing van artikel 78x, eerste lid, van de WWB er in het geval van appellant toe leidt dat het college ten onrechte heeft nagelaten een standpunt in te nemen over de vraag of appellant met terugwerkende kracht, in dit geval met ingang van de door hem beoogde datum van 9 mei 2012, in aanmerking kan komen voor bijstand.


4.5.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust. Hieruit volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.


4.6.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen of appellant met ingang van 9 mei 2012 recht op bijstand heeft. Het college zal hiernaar een nader onderzoek moeten instellen.


4.7.

Aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:108 in samenhang met artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht het college op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C.H. Rombouts en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren




HD