Centrale Raad van Beroep, 16-04-2015 / 13-5897 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1225

Inhoudsindicatie
Een ambtenaar heeft recht op vergoeding van de schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt doordat het bestuursorgaan zijn zorgplicht niet is nagekomen. Voor maatstaven zie de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072. De woorden “in de uitoefening van zijn werkzaamheden” duiden er op dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. Het is aan betrokkene om feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat sprake is van een voldoende mate van waarschijnlijkheid (CRvB 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3714). Gelet op de melding in 2005 in samenhang met de bevindingen in het verslag van het bezoek aan de werkplek van appellant, bestond er destijds geen aanleiding voor een verdergaand onderzoek door de staatssecretaris. Uit het n.a.v. de hoorzitting in 2012, nader ingestelde onderzoek is naar voren gekomen dat er geen meldingen zijn ontvangen, noch enige registratie heeft plaatsgevonden over gevallen monitoren op of na 22 september 2005. Uit het gegeven dat appellant medische hulp heeft gezocht, kan niet worden afgeleid hoe het voorval heeft plaatsgevonden en dat de schade is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-16
Publicatiedatum
2015-04-21
Zaaknummer
13-5897 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5897 AW

Datum uitspraak: 16 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 september 2013, 13/641 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.H. Wiekamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wiekamp. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.K. Eisma en P.A. Pothof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij [naam werkgever], laatstelijk als [naam functie A]. Bij brief van 18 juli 2006 heeft hij de staatssecretaris aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van een voorval op 22 september 2005. Op die dag was appellant werkzaam in het callcenter van [naam werkgever].


1.2.

Nadat de staatssecretaris het voornemen daartoe had bekend gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de staatssecretaris bij besluit van 24 april 2012 het verzoek om aansprakelijkheid te erkennen voor de door appellant geleden schade afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 6 december 2012 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2012 ongegrond verklaard. De staatsecretaris heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat als gevolg van de inconsistente verklaringen van appellant niet duidelijk is geworden wat op 22 september 2005 precies is voorgevallen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem geleden schade een gevolg is van het voorval op

22 september 2005. Daarenboven is niet gebleken dat het voorval een gevolg is geweest van het niet of niet voldoende nakomen van de door de staatssecretaris in acht te nemen zorgplicht.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voorval op de door hem gestelde wijze heeft plaatsgevonden. Evenmin is aannemelijk dat de werkzaamheden of de werkomstandigheden van appellant de door hem gestelde schade hebben veroorzaakt. Aan de vraag of de staatssecretaris de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden, wordt daarom niet toegekomen.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Een ambtenaar heeft recht op vergoeding van de schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt doordat het bestuursorgaan zijn zorgplicht niet is nagekomen. De daarvoor geldende maatstaven staan in de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072.


4.2.

Met de bewoordingen “in de uitoefening van zijn werkzaamheden” is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. Oorzakelijk verband is aanwezig als er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of de werkomstandigheden de ziekte van de betrokkene daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de schade is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden door feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat sprake is van een voldoende mate van waarschijnlijkheid (CRvB 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3714).


4.3.

Appellant heeft betoogd dat hij aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze het voorval heeft plaatsgevonden en dat het hierbij opgelopen letsel een gevolg is van de slechte

arbeidsomstandigheden. Volgens hem heeft de staatssecretaris ten onrechte nagelaten een werkplekonderzoek uit te voeren. De Raad volgt appellant hierin niet. Hiertoe is het volgende van belang. Appellant heeft op 26 september 2005 een e-mail verzonden aan M.J.F. van L waarin hij schrijft: “door slechte arbo-omstandigheden bij de klachtendienst ben ik afgelopen donderdag na het afsluiten van de telefoon bij het opstaan van de stoel door mijn knie gegaan”. Voorts schrijft appellant dat uit medisch onderzoek op donderdagavond is gebleken dat de buitenknieband van de linkerknie een dusdanige dreun heeft gekregen dat de meniscus aan de binnenkant van zijn linkerknie beschadigd is. Als reactie op deze melding hebben twee

P&O-functionarissen op 30 september 2005 een bezoek gebracht aan appellant op zijn werkplek. Zoals appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd, was hij op dat moment aan het werk aan hetzelfde bureau als waar het voorval op 22 september 2005 had plaatsgevonden. Uit het verslag van dit bezoek blijkt dat aan appellant het doel van het bezoek is meegedeeld, namelijk informeren naar de omstandigheden op de werkplek en hoe het voorval nu precies heeft plaatsgevonden. In het verslag is opgenomen dat volgens appellant het bureaublad te laag stond ingesteld en dat hij dat wilde ontwijken. Hij heeft het blad hoger gezet en daarmee is het wat hem betreft over. Hij zegt dat hij op zijn eigen werkplek een aangepaste stoel heeft, maar dat hij die niet iedere keer mee naar beneden neemt. Hij maakt lachend de opmerking: ‘dit is eigenlijk mij verwijtbaar’. Voorts heeft appellant verteld dat hij op 12 oktober 2005 naar het ziekhuis moet voor een scan van zijn knie. Appellant heeft de weergave van dit bezoek in het verslag niet weersproken. Hij heeft wel te kennen gegeven dat het verslag onvolledig is, maar heeft, ook desgevraagd ter zitting van de Raad, niet aangegeven wat in het verslag ontbreekt. Gelet op de aard van de melding op

26 september 2005 kan de reactie van de staatssecretaris hierop niet als onvoldoende adequaat worden beschouwd. De vereiste omvang en diepgang van het door de werkgever uit te voeren onderzoek worden mede bepaald door de aard en ernst van - de melding van - het voorval. Gelet op de melding in samenhang met de bevindingen zoals neergelegd in het verslag van het bezoek aan de werkplek van appellant bestond er destijds geen aanleiding voor een verdergaand onderzoek door de staatssecretaris.


4.4.

Naar aanleiding van de tijdens de hoorzitting op 5 juli 2012 door appellant afgelegde meer uitgebreide verklaring over het voorval, waarin hij uiteenzet dat hij bekneld is geraakt onder het bureau en dat er monitoren zouden zijn gevallen bij de poging hem te bevrijden, heeft de staatssecretaris nader - intern - onderzoek gedaan. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen meldingen zijn ontvangen, noch enige registratie heeft plaatsgevonden over gevallen monitoren op of na 22 september 2005. Evenmin hebben de betreffende P&O-functionarissen hieromtrent iets vernomen ten tijde van het bezoek aan de werkplek van appellant op

30 september 2005. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorval met een omvang als in de hoorzitting omschreven niet onopgemerkt kan zijn gebleven en hiervan zeker melding zou zijn gedaan. Ook de Raad acht dit aannemelijk.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij naar aanleiding van het voorval medische hulp heeft gezocht, waaruit kan worden afgeleid dat het voorval wel degelijk heeft plaatsgevonden en de staatssecretaris aansprakelijk is voor de geleden schade. De Raad volgt appellant hierin niet. Niet ter discussie staat dat appellant in de avond van 22 september 2005 en ook in de periode daarna medische hulp heeft gezocht in verband met knieproblemen. Anders dan appellant heeft betoogd, kan hieruit echter niet worden afgeleid hoe het voorval heeft plaatsgevonden en dat de schade is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarbij is van belang dat appellant voor 22 september 2005 al bekend was met - aanzienlijke - knieklachten, zowel links als rechts.


4.6.

Appellant heeft nog aangevoerd dat kort na het incident al het meubilair op het callcenter is vervangen en het oude meubilair is vernietigd. Hieruit blijkt dat het oude meubilair ondeugdelijk was en dat de staatssecretaris een werkplekonderzoek bewust heeft willen voorkomen. De Raad volgt appellant hierin niet. De staatssecretaris heeft bevestigd dat het meubilair in het najaar van 2005 is vervangen, maar heeft uiteengezet dat dit samenhing met een reorganisatie en een herindeling van de werkplekken. Er bestaan geen aanknopingspunten voor een redelijk vermoeden dat de vervanging van het meubilair op enigerlei wijze verband houdt met het incident van appellant op 22 september 2005.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en C.H. Bangma en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015.




(getekend) R. Kooper




(getekend) B. Rikhof



HD