Centrale Raad van Beroep, 16-04-2015 / 13-3147 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1232

Inhoudsindicatie
Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan artikel 4, derde lid, eerste zin, van het Barp. Dit betekent dat appellant een stevigere uitgangspositie heeft dan gebruikelijk bij het niet verlengen van een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd en vanaf 30 juli 2012 zo mogelijk in vaste dienst moet worden aangesteld. Beoordeeld moet worden of de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen mogelijkheid was om appellant in vaste dienst aan te stellen. De Raad verwijst hier naar zijn uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:40. In de gegeven omstandigheden heeft de korpschef in redelijkheid kunnen besluiten om appellant met ingang van 30 juli 2012 geen vaste aanstelling te verlenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-16
Publicatiedatum
2015-04-21
Zaaknummer
13-3147 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2015/111
Uitspraak

13/3147 AW

Datum uitspraak: 16 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juni 2013, 13/1142 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van Politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. de Vries.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is per 1 oktober 2009 ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), voor de duur van een jaar in dienst getreden als [naam functie A] van de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland (vtsPN).


1.2.

Na een sollicitatie is hij met ingang van 1 september 2010 bij de vtsPN aangesteld als [naam functie B]. Met het oog op een in 2011 voorziene reorganisatie van de vtsPN is dit dienstverband eveneens tijdelijk, voor de duur van een jaar, aangegaan met toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van het Barp. Bij besluiten van 10 juni 2011 en

2 november 2011 is deze aanstelling eerst met vier maanden en daarna met één jaar verlengd, tot en met 31 december 2012.


1.3.

Op 30 juli 2012 heeft appellant de korpschef verzocht om zijn tijdelijke aanstelling met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2012 om te zetten in een vaste aanstelling.


1.4.

Bij besluit van 12 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2013 (bestreden besluit), heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat in 2010 vanwege de voor de vtsPN voorziene reorganisatie geen vaste aanstellingen werden verleend. Deze reorganisatie is in mei 2011 afgeblazen en ingehaald door de met de vorming van de Nationale Politie gepaard gaande reorganisatie, waardoor een vaste aanstelling evenmin mogelijk was.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (de rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank het bestreden besluit om hem een vaste aanstelling te weigeren in stand heeft gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4 van het Barp luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie kan in tijdelijke dienst plaatsvinden (…)

e. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen (…)

2. Zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, zich niet meer voordoet, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld.

3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst zich niet meer voordoet wanneer de ambtenaar sinds twee jaar zonder onderbreking van langer dan één maand in politiedienst, waarvan laatstelijk gedurende ten minste één jaar in zijn huidige betrekking, in dienst is. Dit geldt echter niet in die gevallen waarin vaststaat dat zijn werkzaamheden in de door hem vervulde betrekking binnen het jaar zullen worden beëindigd.

4. Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan de in het derde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd tot vijf jaar.”

Er is geen ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van het Barp tot stand gekomen.


4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan artikel 4, derde lid, eerste zin, van het Barp. Dit betekent dat appellant een stevigere uitgangspositie heeft dan gebruikelijk bij het niet verlengen van een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd en vanaf 30 juli 2012 zo mogelijk in vaste dienst moet worden aangesteld. Beoordeeld moet worden of de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen mogelijkheid was om appellant in vaste dienst aan te stellen. De Raad verwijst hier naar zijn uitspraak van

15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:40.


4.3.

De korpschef heeft verwezen naar de afspraken tussen de Minister van Veiligheid en Justitie, het Korpsbeheerdersberaad en de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal van 22 februari 2011 voor de transitie naar een nationale politie (transitieafspraken). Onder punt 25 van de transitieafspraken is opgenomen dat vacatures in de niet-operationele sterkte gedurende de looptijd van de afspraken over de transitie niet vervuld dan wel terughoudend vervuld worden door een medewerker die reeds in dienst is van de politie en reeds werkzaam is op een functie binnen de niet-operationele sterkte (overhead) of een medewerker met een aanstelling van tijdelijke duur. Sinds 1 januari 2013 is de Nationale Politie een feit. In de memo van de Kwartiermakersorganisatie HRM zijn de transitieafspraken over de invulling van vacatures geplaatst in de context van de personele reorganisatie van de Nationale Politie. Ook vanaf 1 januari 2013 geldt dat externe kandidaten een tijdelijke aanstelling krijgen die uiterlijk afloopt na afronding van de personele reorganisatie. Er is een reductie van de formatie van circa 20% en de korpschef dient in de nieuwe organisatie plekken beschikbaar te houden voor herplaatsingskandidaten totdat de reorganisatie - die nog steeds gaande is - is afgerond.


4.4.

De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat hij reeds in dienst was bij de politie, zodat uit punt 25 van de transitieafspraken volgt dat hij een openvallende vacature voor zijn functie had mogen vervullen. Alleen al uit het vermelden van de tweede mogelijkheid in punt 25 (een medewerker met een aanstelling van tijdelijke duur) volgt dat met de eerste mogelijkheid is bedoeld een medewerker die reeds in vaste dienst is van politie, zoals namens de korpschef ter zitting ook is verklaard.


4.5.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de wetgever een grens heeft willen stellen aan de tijdelijkheid. Appellant is, anders dan het geval was in de hiervoor genoemde uitspraak van

15 januari 2015 waar het ging om aanstellingen van in totaal drie jaar, gedurende drie jaar en drie maanden in dienst van de politie geweest. Daarmee was de totale termijn van drie jaar (twee plus één) genoemd in artikel 4, derde lid, van het Barp overschreden, terwijl van de in het vierde lid van dit artikel genoemde mogelijkheid om deze termijn te verlengen tot vijf jaar (plus één) geen gebruik is gemaakt. Dit brengt volgens appellant mee dat de in artikel 4, tweede lid, van het Barp opgenomen inspanningsverplichting van de korpschef om appellant zo mogelijk in vaste dienst aan te stellen groter is geworden. Bovendien, zo stelt hij, mag een vaste aanstelling niet meer vanwege een reorganisatie worden geweigerd, omdat op grond van artikel 4, derde lid, van het Barp wordt aangenomen dat deze omstandigheid zich niet meer voordoet na verloop van in totaal drie jaar.


4.5.2.

De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Artikel 4, derde lid, van het Barp voorziet weliswaar in de juridische fictie dat de reorganisatie zich niet meer voordoet, maar daaruit volgt nog geen aanspraak op een vaste aanstelling. Het langdurige tijdelijke dienstverband van appellant opent wel de weg naar de toepassing van artikel 4, tweede lid, van het Barp om appellant zo mogelijk in vaste dienst aan te stellen, maar niet meer dan dat.


4.6.

In de gegeven omstandigheden heeft de korpschef in redelijkheid kunnen besluiten om appellant met ingang van 30 juli 2012 geen vaste aanstelling te verlenen. Er was voorzien in een aanzienlijke reductie van de formatie, en bij zijn afweging heeft de korpschef gewicht kunnen toekennen aan het belang om de formatieplaats van appellant te gebruiken voor verwachte toekomstige herplaatsingskandidaten, die wel in vaste dienst zijn aangesteld. Dat de reorganisatie achteraf meer tijd in beslag heeft genomen - en nog neemt - maakt dit niet anders.


4.7.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra




sg