Centrale Raad van Beroep, 15-04-2015 / CRvB 13-5232 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1236

Inhoudsindicatie
Anders dan het Uwv meent, leidt de vakantieperiode die heeft aangesloten op het einde van het dienstverband met [de B.V.] en minder dan twintig dagen heeft geduurd, niet ertoe dat geen werkloosheid is ontstaan wegens het niet beschikbaar zijn van appellant voor arbeid. Voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Regeling moet er dus van worden uitgegaan dat appellant met ingang van 25 juni 2012 recht heeft op een WW-uitkering. Waar tussen partijen niet langer in geschil is dat het Uwv bij de toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 januari 2012 terecht is uitgegaan van inkomsten uit arbeid van € 2.660,- per maand en evenmin in geschil is dat die inkomsten leiden tot een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van 25 tot 35%, is de conclusie dat het Uwv terecht heeft bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 juli 2012 niet wijzigt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-15
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
CRvB 13-5232 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5232 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

14 augustus 2013, 13/261 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 april 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Smit hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 december 2014 heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2015. Voor appellant is mr. Severijn verschenen . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1998 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk als pijpfitter. Het Uwv heeft hem met ingang van 7 december 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In verband met inkomsten uit arbeid is de uitkering diverse malen onder toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald als ware appellant ingedeeld in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse.


1.2.

Appellant is per 26 oktober 2011 op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij[de B.V.] ([de B.V.]) voor 28 uur per week tegen een bruto maandsalaris van € 2.660,-. Het dienstverband is enkele malen voor bepaalde tijd verlengd en per 23 juni 2012 van rechtswege geëindigd.


1.3.

Appellant heeft op 29 juni 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het door appellant ingevulde en op 6 juli 2012 ondertekende “Formulier aanvullende gegevens” heeft hij bij de vraag “Bent u beschikbaar geweest vanaf einde arbeidsovereenkomst, zijnde 23 juni 2012?” het antwoord aangekruist: “Ja, ik heb vakantie gehad van … tot en met 30 juni 2012”. Blijkens een besluit van 13 juli 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 2 juli 2012 in aanmerking komt voor een

WW-uitkering en appellant ervan in kennis gesteld dat de eerste betaling van de

WW-uitkering over de periode van 26 juni 2012 tot en met 8 juli 2012 op 12 juli 2012 aan hem is overgemaakt.


1.4.

Na de beëindiging van voormeld dienstverband heeft het Uwv de toepassing van artikel 44 van de WAO opnieuw beoordeeld. Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellant vanwege de inkomsten uit het dienstverband met ingang van 1 januari 2012 wordt verlaagd naar € 25,83 bruto per dag. Dit bedrag is gebaseerd op een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarbij heeft het Uwv tevens bepaald dat de korting op de WAO-uitkering vanaf 1 juli 2012 ongewijzigd wordt voortgezet omdat appellant vanaf die datum een WW-uitkering ontvangt, die in de plaats komt van zijn inkomsten uit arbeid. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2012.


1.5.

Bij besluit van 1 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 17 juli 2012 herroepen, voor zover betrekking hebbend op de maand juni 2012. Omdat in die maand sprake was van een lager bedrag aan inkomsten is de fictieve mate van arbeidsongeschikt over die maand bepaald op 35 tot 45%. Voor het overige is het besluit van 17 juli 2012 gehandhaafd.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat in beroep uitsluitend in geschil is de vraag of de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juli 2012 uitbetaald moet worden naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, zoals volgt uit het bestreden besluit, of naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, zoals gesteld door appellant.


2.3.

De rechtbank heeft het, ter zitting ingenomen, standpunt van het Uwv onderschreven, dat in het geval van appellant toepassing dient te worden gegeven aan artikel 3, zevende lid, van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid (de Regeling), zoals die bepaling gold vanaf 1 januari 2012, op grond waarvan voor het bepalen van de uitbetaling van de WAO-uitkering aan appellant vanaf 1 juli 2012 uitgegaan moet worden van het gemiddelde inkomen over de drie maanden voorafgaand aan die datum. De rechtbank heeft de ter zitting door het Uwv gemaakte berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van 34,99%, dus vallend in de klasse van 25 tot 35%, eveneens onderschreven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, nu de maand juni 2012 een uitzondering betreft en artikel 3, zevende lid, van de Regeling een nadere bepaling op het door appellant ingeroepen artikel 3, tweede lid, van de Regeling betreft, het Uwv op juiste gronden artikel 3, zevende lid, van de Regeling heeft toegepast en terecht heeft bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 1 juli 2012 ongewijzigd wordt voortgezet.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij zijn berekening ter zitting van de rechtbank is uitgegaan van onjuiste inkomensgegevens over de maand juni 2012. Uitgaande van het juiste inkomen over de maand juni 2012 bedraagt de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid, ook in de door de rechtbank onderschreven berekeningsmethode, volgens appellant meer dan 35%. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat hij vanaf

1 juli 2012 - net als over de maand juni 2012 - aanspraak heeft op uitbetaling van zijn

WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.


3.2.

In verweer heeft het Uwv erkend dat hij over de maand juni 2012 is uitgegaan van onjuiste inkomensgegevens. Dit betekent volgens het Uwv echter niet dat vanaf 1 juli 2012 de WAO-uitkering van appellant moet worden uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Ter toelichting heeft het Uwv gesteld dat het dienstverband van appellant is geëindigd per 23 juni 2012 en appellant per 2 juli 2012 in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering. Dat de ingangsdatum van de WW-uitkering niet helemaal aansluit op de einddatum van het dienstverband, houdt verband met de latere beschikbaarstelling van appellant voor de arbeidsmarkt. Het Uwv heeft gewezen op artikel 3, tweede lid, van de Regeling, waarin is bepaald dat indien recht bestaat op een WW-uitkering, bij de toepassing van artikel 44 van de WAO wordt uitgegaan van het inkomen waarmee laatstelijk voor aanvang van de werkloosheid rekening is gehouden. Aangezien appellant, voorafgaande aan het ontstaan van het WW-recht, een vast loon ontving, wijzigt de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse niet op het moment dat het dienstverband wordt beëindigd en aanspraak ontstaat op een WW-uitkering. De anticumulatie op de WAO-uitkering moet daarom ongewijzigd worden voortgezet. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat over de maand juni 2012 de WAO-uitkering ten onrechte is betaald naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse en dat bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidsklasse vanaf 1 juli 2012 ten onrechte is aangenomen dat voorafgaande aan de werkloosheid sprake was van wisselende inkomsten in de zin van artikel 3, zevende lid, van de Regeling.


3.3.

In reactie op het verweerschrift heeft appellant gewezen op de toelichting op artikel 3, zevende lid, van de Regeling bij de wijziging van de Regeling per 1 januari 2012. Appellant leidt daaruit af dat bij de beoordeling van de vraag of artikel 3, zevende lid, van de Regeling van toepassing is, niet relevant is of sprake is van wisselende inkomsten of vast loon. Bepalend is volgens de toelichting slechts of in het laatste aangiftetijdvak voor het ontstaan van een recht op uitkering sprake was van een inkomen dat (veel) hoger of (veel) lager was dan betrokkene doorgaans verdiende. Juist deze situatie deed zich volgens appellant in juni 2012 bij hem voor. Uitgaande van het lagere loon van appellant in de maand juni 2012 bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid meer dan 35%.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 44 van de WAO is, samengevat en voor zover hier van belang, bepaald dat indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid kan worden aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO, de uitkering niet wordt herzien, maar niet dan wel slechts gedeeltelijk tot uitbetaling komt.


4.1.2.

De Regeling (Stcrt. 1994, 34, zoals laatstelijk gewijzigd op 12 december 2011,

Stcrt. 2001, 22967) geeft bepalingen wat onder inkomen in onder meer artikel 44 van de WAO wordt verstaan.


4.1.3.

In artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling, is bepaald dat onder inkomen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WW.


4.1.4.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling, voor zover hier van belang, wordt indien degene op wie artikel 44 van de WAO van toepassing is recht heeft op een

WW-uitkering voor die toepassing behandeld alsof hij een WW-uitkering ontvangt die gelijk is aan het inkomen, waarmee vóór de aanvang van de werkloosheid bij de toepassing van artikel 44 van de WAO rekening is gehouden.


4.1.5.

In artikel 3, zevende lid, van de Regeling is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor de toepassing van het tweede lid bij een per aangiftetijdvak wisselend inkomen in afwijking van het tweede lid als inkomen wordt aangemerkt het gemiddelde van het inkomen in de drie aangiftetijdvakken voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op (onder meer) een WW-uitkering.


4.1.6.

In artikel 15 van de WW is bepaald dat met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen de werknemer die werkloos is recht heeft op uitkering.


4.1.7.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW, is werkloos de werknemer die in een kalenderweek ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren, en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

4.1.8.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW, heeft de werknemer die vakantie geniet geen recht op uitkering.


4.1.9.

Bij ministeriële regeling op grond van artikel 19, vijfde lid, van de WW, Vakantieregeling WW en IOW (Vakantieregeling, Stcrt. 2003, 242, zoals gewijzigd op

23 november 2009, Stcrt. 2009, 18184) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot het begrip vakantie genieten als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel k, en met betrekking tot de vaststelling van de periode gedurende welke de werknemer, in afwijking van het eerste lid, onderdeel k, met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vakantieregeling is sprake van vakantie genieten gedurende de periode waarover de werknemer verklaart vakantie te genieten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Vakantieregeling kan de werknemer per kalenderjaar gedurende twintig dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op WW-uitkering.


4.2.

De Raad ziet zich, gelet op wat is bepaald in artikel 3, tweede lid, van de Regeling allereerst gesteld voor de vraag vanaf welk moment appellant is aan te merken als degene op wie artikel 44 van de WAO van toepassing en die tevens recht heeft op een WW-uitkering. Uit artikel 15 van de WW - mede in aanmerking genomen wat met betrekking tot dit artikel is opgenomen in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1985/86, 19261, blz. 3) - volgt dat recht bestaat op WW-uitkering als is voldaan aan de in de wet omschreven ontstaansvoorwaarden. Het recht op een WW-uitkering kan zijn ontstaan vóór een door de werknemer bij zijn aanvraag of door het Uwv in een besluit genoemde datum.


4.3.1.

Op 23 juni 2012 had appellant alle 28 arbeidsuren bij [de B.V.] verloren en was hij blijkens het “Formulier aanvullende gegevens” vanaf 23 juni 2012 beschikbaar om arbeid te aanvaarden met dien verstande dat hij van 23 juni 2012 tot en met 30 juni 2012 vakantie genoot.


4.3.2.

Bij zijn uitspraak van 5 oktober 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU3986) heeft de Raad geoordeeld dat op de eerste vakantiedag die samenvalt met de eerste dag van arbeidsurenverlies een recht op WW-uitkering kan ontstaan. Daartoe is overwogen dat uit de systematiek van de toepasselijke bepalingen voortvloeit dat in het geval de werknemer vakantie geniet welke blijft binnen de bij de Vakantieregeling vastgestelde duur, die werknemer niet op de enkele grond dat hij vakantie geniet kan worden tegengeworpen dat hij niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en dat hij om deze reden niet werkloos kan worden geacht met als gevolg dat hij geen recht heeft op een WW-uitkering. Uit het feit dat de wetgever de mogelijkheid heeft geopend met behoud van uitkering vakantie te genieten, blijkt dat hij heeft gewild dat de betrokken werknemer recht op uitkering behoudt ondanks het feit dat hij niet beschikbaar is voor arbeid. De formulering van artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW brengt niet mee dat slechts dan met behoud van uitkering vakantie kan worden genoten indien vóór de aanvang van de vakantie recht op uitkering bestond. Er is geen reden om aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd om door middel van de formulering “met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten” aan degenen die aansluitend op het einde van het werk op vakantie gaan, de mogelijkheid te onthouden om gedurende enige tijd “met behoud” van uitkering op vakantie te gaan.


4.3.3.

Uit de in 4.3.2 genoemde uitspraak volgt dat het feit dat appellant van 23 juni 2012 tot 30 juni 2012 met vakantie is geweest niet wegneemt dat hij werkloos is geworden toen zijn arbeidsovereenkomst met [de B.V.] op 23 juni 2012 was geëindigd. Met ingang van 25 juni 2012, zijnde de eerste dag van de daaropvolgende kalenderweek, voldeed hij aan de ontstaansvoorwaarden voor het recht op WW-uitkering. Anders dan het Uwv bij zijn verweer voor ogen heeft gestaan, leidt de vakantieperiode die heeft aangesloten op het einde van het dienstverband met [de B.V.] en minder dan twintig dagen heeft geduurd, niet ertoe dat geen werkloosheid is ontstaan wegens het niet beschikbaar zijn van appellant voor arbeid.


4.4.

Voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Regeling moet er dus van worden uitgegaan dat appellant met ingang van 25 juni 2012 recht heeft op een WW-uitkering. Dat appellant zijn uitkering met ingang van 1 juli 2012 heeft aangevraagd en dat het Uwv bij het in 1.3 genoemde besluit abusievelijk heeft vastgesteld dat het recht op uitkering is ontstaan per 2 juli 2012 en de uitkering vanaf 26 juni 2012 wordt betaald, is in dit verband zonder betekenis.


4.5.

Voor zover appellant al terecht zou hebben betoogd dat in zijn geval sprake is van een per aangiftetijdvak wisselend inkomen als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling omdat, hoewel hij met [de B.V.] een vast loon was overeengekomen, zijn inkomen in de maand juni 2012 lager is geweest dan in de daaraan voorafgaande maanden in verband met een loonbetaling die beperkt was tot 23 juni 2012, kan hem een beroep op deze bepaling niet baten. In het geval van appellant zou toepassing van artikel 3, zevende lid, van de Regeling ertoe leiden dat als inkomen zou moeten worden aangemerkt het gemiddelde inkomen in de maanden maart, april en mei 2012, zijnde de drie aangiftetijdvakken voor het aangiftetijdvak waarin op 25 juni 2012 het recht op WW-uitkering is ontstaan. Appellant heeft bij zijn brief van 16 december 2014 niet betwist dat hij in elk van deze drie maanden uit de arbeidsovereenkomst met [de B.V.] een inkomen heeft genoten van € 2.660,- per maand (vermeerderd met 8% vakantietoeslag het door hem genoemde bedrag van € 2.872,80), zodat op dat bedrag ook het gemiddelde zou moeten worden bepaald.


4.6.

Waar tussen partijen niet langer in geschil is dat het Uwv bij de toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 januari 2012 terecht is uitgegaan van inkomsten uit arbeid van € 2.660,- per maand (te vermeerderen met vakantietoeslag) en evenmin in geschil is dat die inkomsten leiden tot een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van 25 tot 35%, is de conclusie dat het Uwv terecht heeft bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 juli 2012 niet wijzigt. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling wordt immers ervan uitgegaan dat de WW-uitkering gelijk is aan de inkomsten die die uitkering vervangt.


4.7.

Uit 4.1.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van de gronden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2015.



(getekend) M. Greebe




(getekend) G.J. van Gendt




NK