Centrale Raad van Beroep, 08-04-2015 / 13-4749 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1243

Inhoudsindicatie
Appellant heeft zich medio 2012 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Per 11 december 2012 wordt appellant niet langer arbeidsongeschikt geacht voor zijn werkzaamheden als montagemedewerker. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Uit de overgelegde informatie blijkt niet van ernstige medische problemen en/of medische behandelingen. Bovendien heeft die informatie betrekking op de periode na de in geding zijnde datum en heeft in dit verband als maatstaf te gelden de werkzaamheden van montagemedewerker zonder bijzondere verzwarende aspecten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-04-22
Zaaknummer
13-4749 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4749 ZW

Datum uitspraak: 8 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 juli 2013, 13/1973 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere medische stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Namens appellant is

mr. Van Es verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich met ingang van 18 juni 2012 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Appellant is door het Uwv per 11 december 2012 niet langer arbeidsongeschikt geacht voor zijn werkzaamheden als montagemedewerker. Dat oordeel is neergelegd in een besluit van 5 december 2012 en berust op een rapport van een verzekeringsarts van 4 december 2012.


1.2.

Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport van 22 januari 2013, heeft het Uwv bij besluit van

29 januari 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van

5 december 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat beide verzekeringsartsen appellant hebben onderzocht en dat er informatie is ingewonnen bij de huisarts. Voor de klachten van appellant is deels (de vaatklachten) geen medisch objectiveerbare oorzaak gevonden en deels (de CTS klachten) zijn zij geen belemmering om de werkzaamheden als montagemedewerker te verrichten. Ook van relevante psychische klachten is niet gebleken.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten en beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Gewezen is op de zware aspecten van het werk. Ook is informatie overgelegd van een cardioloog en een KNO-arts.


3.2.

De Raad overweegt als volgt.


3.3.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Uit die informatie blijkt niet van ernstige medische problemen en/of medische behandelingen. Bovendien heeft die informatie betrekking op de periode na de in geding zijnde datum. De Raad kan niet inzien dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hadden van de werkzaamheden van appellant. Uit de rapporten blijkt dat dat wel het geval was. De Raad merkt in dit verband nog op dat, gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet in deze als maatstaf heeft te gelden de werkzaamheden van montagemedewerker zonder bijzondere verzwarende aspecten.


3.4.

Het hoger beroep slaagt daarom niet.


4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.




(getekend) E.W. Akkerman




(getekend) I. Mehagnoul




MK