Centrale Raad van Beroep, 17-04-2015 / 15-1390 WWB-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:1245

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
15-1390 WWB-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/1390 WWB-VV

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. N. Roos, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2015, 14/5657 (aangevallen uitspraak). Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2015. Namens verzoekster is verschenen mr. N. Roos. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

L.L. van der Linden.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Verzoekster ontving, samen met [naam] (C), met ingang van 8 september 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Naar aanleiding van twee anonieme tips op 19 november 2012 en 4 november 2013 dat C twee kledingwinkels heeft in [plaats 1] waarin onder andere hij en verzoekster werkzaam zijn, heeft de sociale recherche van de gemeente Schiedam (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster en C verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties uitgevoerd en diverse instanties, waaronder de Kamer van Koophandel, om inlichtingen verzocht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 november 2013 en een aanvullend rapport van 7 januari 2014. De onderzoeksresultaten zijn voor het college onder meer aanleiding geweest om bij besluit van 9 januari 2014 de bijstand van verzoekster en C over de periode van 20 februari 2013 tot en met 31 augustus 2013 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.544,74 van verzoekster terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging, zo begrijpt de Raad, dat C, per

20 februari 2013, en verzoekster, per 8 augustus 2013, als ondernemer werkzaam zijn geweest in de textiel- en kledingbranche. Dit heeft verzoekster niet uit eigen beweging gemeld bij het college. Hiermee heeft verzoekster de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verzoekster heeft voorts de gevraagde gegevens, waaronder een deugdelijke boekhouding van de ondernemingen [onderneming 1] en [onderneming 2], niet overgelegd als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.3.

Bij besluit van 29 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 januari 2014 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


3. Verzoekster heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat haar bijstand wordt toegekend.


4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hieruit vloeit voort dat in een situatie waarin geen sprake is van enig spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.


4.2.

De voorzieningenrechter wijst allereerst op vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764), waaruit volgt dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.


4.3.

De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Nog daargelaten dat verzoekster inmiddels in [plaats 2] woonachtig is en nu jegens het college geen aanspraak op bijstand kan hebben, geeft hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht geen blijk van een dergelijk spoedeisend belang.


4.3.1.

Het gaat in de bodemprocedure om intrekking en terugvordering van bijstand over een afgesloten periode van bijstandsverlening in het verleden, te weten de periode van 20 februari 2013 tot en met 31 augustus 2013. Bij besluit van 3 januari 2014 heeft het college de bijstand van verzoekster en C met ingang van 1 september 2013 beëindigd (lees: ingetrokken). Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat verzoekster hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Verzoekster heeft weliswaar te kennen gegeven dat zij thans niet over een bron van inkomsten beschikt, maar niet duidelijk is op welke wijze zij vanaf 1 september 2013, de datum waarop ook de feitelijke uitbetaling van bijstand is gestaakt, in haar levensonderhoud en die van haar gezin heeft voorzien. Niet gebleken is van een poging om enige inkomsten te verwerven, waaronder bijvoorbeeld het doen van een aanvraag om bijstand, hetzij bij het college, hetzij bij college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.


4.3.2.

Verzoekster heeft voorts gesteld dat sprake is van een toenemende schuldenlast. Zij heeft deze stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Bovendien heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat over het terug te vorderen bedrag geen rente wordt berekend, zodat dat bedrag gelijk blijft. Verder vordert het college op dit moment niet in.


4.4.

Uit 4.3 tot en met 4.3.2 volgt dat bij dit verzoek onverwijlde spoed als bedoeld in

artikel 8:81 van de Awb ontbreekt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van

C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

17 april 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD