Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 13-4253 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1249

Inhoudsindicatie
In dit geding ligt voor de door appellant ingediende aanvraag van 29 december 2011. Deze is, gelet op de uitdrukkelijke bewoordingen van het gebruikte formulier, gericht op het verkrijgen van bijstand ingevolge de WWB. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het aanvraagformulier van 29 december 2011 niet blijkt dat er een andere aanvraag voorlag dan de aanvraag om algemene bijstand. Dit is i.o.m. vaste rechtspraak van de Raad dat elke specifieke uitkering in principe een afzonderlijke aanvraag vereist. Appellant had ten tijde van zijn aanvraag om algemene bijstand de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Ambtshalve: het college heeft – in strijd met artikel 2:3, eerste lid, van de Awb – verzuimd de aanvraag om bijstand van appellant van 29 december 2011 door te zenden aan de SVB. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad draagt het college op de aanvraag door te zenden aan de SVB ter verdere behandeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-22
Zaaknummer
13-4253 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/176
  • USZ 2015/183
Uitspraak

13/4253 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 juni 2013, 12/2618 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren in augustus 1944, heeft op 29 december 2011 met een daartoe bestemd formulier een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft appellant vermeld dat zijn woning is ontruimd, dat hij geen goederen of geld heeft en dat hij in een bootje slaapt.


1.2.

Naar aanleiding van zijn aanvraag is met appellant een afspraak gemaakt voor een intakegesprek op 17 januari 2012. Bij besluit van 17 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 april 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat hij niet op de afspraak is verschenen.


1.3.

Met de herziene beslissing op bezwaar van 29 januari 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het besluit van 12 april 2012 herzien en het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor appellant een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15 van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de AOW een aan de bijstand voorliggende voorziening is, dat er geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de WWB en dat er geen andere aanvraag voorlag dan de aanvraag om algemene bijstand.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep. Hij heeft aangevoerd dat zijn aanvraag breder was dan een aanvraag om bijstand; hij vroeg om hulp, of dat nu in de vorm van algemene bijstand, een voorschot of van bijzondere bijstand was. Voorts is appellant van mening dat hij de AOW voor hem geen voorliggende voorziening was nu hij buiten staat was om hiertoe de benodigde gegevens aan te leveren. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van dringende redenen om toch bijstand toe te kennen en dat er sprake is van schending van het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding ligt voor de door appellant ingediende aanvraag van 29 december 2011. Deze is, gelet op de uitdrukkelijke bewoordingen van het gebruikte formulier, gericht op het verkrijgen van bijstand ingevolge de WWB. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX0220) is voor elke specifieke uitkering in principe een afzonderlijke aanvraag vereist. De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, terecht geoordeeld dat uit het aanvraagformulier van 29 december 2011 niet blijkt dat er een andere aanvraag voorlag dan de aanvraag om algemene bijstand.

4.2.

Appellant had ten tijde van zijn aanvraag om algemene bijstand de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dit leidt tot de volgende beoordeling ambtshalve.


4.3.

Met ingang van 1 januari 2010 is in artikel 47a van de WWB bepaald dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) tot taak heeft het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Omdat de SVB deze exclusieve bevoegdheid toekomt, is het college niet bevoegd om te beslissen op de bijstandsaanvraag van appellant.


4.4.

In artikel 2:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld doorzendt naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. Hoewel het college appellant er diverse keren op heeft gewezen dat hij voor een AOW-uitkering bij de SVB moest zijn, heeft het college – in strijd met deze bepaling – verzuimd de aanvraag om bijstand van appellant van 29 december 2011 door te zenden aan de SVB.


4.5.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigen wegens strijd met de artikelen 47a en 43 van de WWB en het besluit van 17 januari 2012 herroepen. De Raad draagt het college met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de aanvraag door te zenden aan de SVB ter verdere behandeling.


4.6.

In beroep heeft appellant verzocht om toekenning van schadevergoeding bestaande uit de wettelijke rente. Nu op dit moment niet is gebleken van een achterstallige betalingsverplichting, moet dit verzoek worden afgewezen.

4.7.

Gelet op wat is overwogen onder 4.4 en 4.5 behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 490,- voor proceskosten in beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift).


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 12 april 2012 en 29 januari 2013 gegrond en

vernietigt deze besluiten;

- herroept het primaire besluit van 17 januari 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats

treedt van de vernietigde besluiten;

- draagt het college op om de aanvraag van 29 december 2011 door te zenden aan de SVB ter

verdere behandeling;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 490,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Kort, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.G. van den Berg




HD