Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 13-5642 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1251

Inhoudsindicatie
Appellant heeft niet voldaan aan de oproeping van de Raad om ter zitting te verschijnen, hoewel hij daartoe verplicht was. De Raad zal daarom de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Op grond van de gedingstukken kan niet opgemaakt worden dat appellant vanaf 14 september 2012 andere werkzaamheden heeft verricht dan de door hem gemelde werkzaamheden op de markt vanaf november 2012. Er bestaat dan ook onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat het recht op bijstand over de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012 wegens het ontbreken van loongegevens niet kan worden vastgesteld. Voor de periode na 1 november 2012 kan, nu appellant immers geen controleerbare en verifieerbare gegevens heeft overgelegd met betrekking tot zijn inkomsten en ook ter zitting geen nadere uitleg heeft gegeven, vanaf die datum wegens het ontbreken van deze gegevens het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad voorziet zelf in de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
13-5642 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5642 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 september 2013, 13/1925 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.S. Tauwnaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant is, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 14 september 2012 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 14 september 2012 afgewezen op de grond dat appellant een beroep kan doen op een voorliggende voorziening in de vorm van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.


1.2.

Appellant heeft op 9 november 2012 wederom een aanvraag ingediend om bijstand. Deze aanvraag is bij besluit van 12 november 2012 afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


1.3.

Bij besluit van 11 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2012 en 9 november 2012 ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag in die zin, dat de aanvragen van 14 september 2012 en 9 november 2012 worden afgewezen omdat wegens het ontbreken van inkomstengegevens van appellant het recht op bijstand over de periode van 14 september 2012 tot en met 12 november 2012 niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij in de maanden september 2012 en oktober 2012 niet heeft gewerkt en hierover dan ook geen gegevens kan inleveren. Hij stelt zich op het standpunt dat op basis van de beschikbare gegevens het recht op bijstand over de maanden september 2012 tot en met november 2012 is vast te stellen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft niet voldaan aan de oproeping van de Raad om ter zitting te verschijnen, ondanks het feit dat hij daartoe op grond van artikel 8:27, eerste lid, van de Awb, zoals hem bericht, verplicht was. De Raad zal daarom uit het niet verschijnen van appellante ter zitting, met toepassing van artikel 8:31 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen en bij het vaststellen van de feiten uitgaan van de beschikbare gegevens.


4.2.

Op grond van de gedingstukken wordt vastgesteld dat appellant op 12 november 2012 telefonisch zijn klantmanager heeft geïnformeerd dat hij op dat moment enkele uren per dag werkt als oproepkracht. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant deze klantmanager heeft meegedeeld dat hij in december 2012 werkzaamheden op de markt heeft verricht. Het college heeft appellant diverse malen de gelegenheid geboden, laatstelijk op 12 februari 2013, om bewijsstukken te overleggen met betrekking tot zijn inkomsten uit werkzaamheden vanaf 14 september 2012. Appellant heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Door appellant worden in beroep op 26 juli 2013 summiere handgeschreven verklaringen overgelegd met betrekking tot zijn werkzaamheden op de markt. Appellant verklaart hierin dat hij vanaf 3 november 2012 op de markt bij een Indiase meneer heeft gewerkt, ongeveer 4 uur per dag, en dat hij hiervoor € 400 heeft ontvangen. Ene [naam] heeft verklaard dat appellant gedurende de maand november 2012 een paar dagen op de markt heeft gewerkt. Tevens bevinden zich onder de gedingstukken afschriften van de bankrekening bij de ING van appellant over de periode vanaf september 2012. Uit deze afschriften blijkt niet van enige stortingen in verband met inkomsten uit arbeid.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat uit de aanwezige gedingstukken niet opgemaakt kan worden dat appellant vanaf 14 september 2012 andere werkzaamheden heeft verricht dan de door hem gemelde werkzaamheden op de markt vanaf november 2012. Er bestaat dan ook onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat wegens het ontbreken van een arbeidscontract met betrekking tot deze werkzaamheden, los van de vraag of in een dergelijk geval het overleggen van een arbeidscontract van appellant verlangd kan worden, het recht op bijstand over de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012 wegens het ontbreken van loongegevens niet kan worden vastgesteld. In zoverre berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering. Dit ligt, gelet op de gedingstukken, anders voor de periode na 1 november 2012. Nu appellant immers geen controleerbare en verifieerbare gegevens heeft overgelegd met betrekking tot zijn inkomsten na 1 november 2012 en ook ter zitting geen nadere uitleg heeft gegeven, kan vanaf die datum wegens het ontbreken van deze gegevens het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


4.4.

Gelet op 4.3 had het college niet de conclusie mogen trekken dat als gevolg van de schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting het recht op bijstand over de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012 niet is vast te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de afwijzing van de aanvraag over de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.


4.5.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat er overigens geen beletselen zijn die toekenning van de bijstand over de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012 in de weg staan. Daarom zal de Raad met het oog op een definitieve beslechting van dit geschil zelf in de zaak voorzien door het besluit van 14 september 2012 te herroepen voor zover betrekking hebbend op de afwijzing van de aanvraag over de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012 en te bepalen dat appellant in die periode bijstand toekomt naar de voor hem toepasselijke bijstandsnorm met gemeentelijke toeslag.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 490,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 maart 2013 voor zover betrekking hebbend op de afwijzing van

de aanvraag van 14 september 2012 over de periode van 14 september 2012 tot 1 november

2012;

- herroept het besluit van 14 september 2012 in zoverre;

- bepaalt dat appellant in de periode van 14 september 2012 tot 1 november 2012 bijstand

toekomt naar de voor hem geldende bijstandsnorm met gemeentelijke toeslag en bepaalt dat

deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

11 maart 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.450,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.G. van den Berg




HD