Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 14-2018 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1253

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. De onderzoeksgegevens vormen voldoende grondslag voor het oordeel dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van zijn actuele leef- en verblijfssituatie en dat daardoor het recht op bijstand van betrokkene niet is vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
14-2018 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2018 WWB, 15/1189 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 maart 2014, 13/6105 en 14/1051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.I. L’Ghdas, advocaat, een verweerschrift ingediend en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2058, dit verzoek afgewezen.

Mr. P.E. Broekman, gerechtsauditeur bij de Raad, heeft in opdracht van de Raad op

25 september 2014 in aanwezigheid van partijen een onderzoek ter plaatse ingesteld op het adres [adres 1]. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen verzonden.

Appellant heeft op 6 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen en ingezonden.

Betrokkene heeft tegen het nader besluit gronden aangevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. L’Ghdas.

OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, de weergave van de aangevallen uitspraak en de daartegen aangevoerde gronden in hoger beroep verwijst de Raad naar de genoemde uitspraak van zijn voorzieningenrechter.


2. Bij het nader besluit heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2013 gegrond verklaard, de uitkering per 21 juni 2013 weer betaalbaar gesteld en de bijstand met ingang van 13 november 2013 weer ingetrokken. Aan deze intrekking heeft appellant het volgende ten grondslag gelegd. Betrokkene heeft op 29 oktober 2013 een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan, die bij besluit van 15 november 2013 is afgewezen. Hij stelde daarbij dakloos te zijn en te verblijven op twee locaties, te weten bij het podium in het [locatie 1] (podium) en op het landje vlakbij de grote kunsthonden in het [locatie 2] (landje), beide te Amsterdam. Handhavingsmedewerkers hebben een onderzoek ingesteld. De conclusie van het onderzoek is dat betrokkene niet verbleef op de opgegeven locaties. Door schending van de inlichtingenverplichting is het recht op bijstand niet meer vast te stellen met ingang van de datum van afsluiting van dit onderzoek.


3. Betrokkene kan zich niet verenigen met de intrekking van de bijstand met ingang van

13 november 2013. Hij voert aan dat de feitelijke grondslag van het nader besluit gebaseerd is op een onderzoek naar aanleiding van een aanvraag, en dat die niet mag worden benut voor een intrekking van bijstand. Het onderzoek is onjuist uitgevoerd. Bij daklozen moet maatwerk worden geleverd. Dat betekent dat in zijn geval de sms-procedure had moeten worden toegepast. Het onderzoek is overigens ook onzorgvuldig. Betrokkene heeft steeds verbleven op de opgegeven locaties.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uit het nader besluit volgt, zoals ook namens appellant ter zitting is bevestigd, dat hij, gelet op de bevindingen bij het onderzoek ter plaatse, de gronden van het hoger beroep niet handhaaft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


4.2.1.

Het nader besluit strekt mede tot uitvoering van de aangevallen uitspraak. In overleg met partijen en met het oog op definitieve geschillenbeslechting betrekt de Raad dit besluit met toepassing van artikel 6:19 en 6:24 van de algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling van het geschil.


4.2.2.

In beroep tegen het nader besluit staat ter beoordeling of appellant bevoegd was de bijstand van betrokkene in te trekken met ingang van 13 november 2013.


4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.4.

Appellant heeft onderzoek gedaan naar de inwilligbaarheid van de aanvraag van

29 oktober 2013. Niet in geschil is dat appellant de daaruit voortvloeiende onderzoeksgegevens rechtmatig heeft verkregen. Dat appellant die gegevens heeft verzameld met het oog op de behandeling van een aanvraag, maakt niet dat die gegevens niet ten grondslag mogen worden gelegd aan een intrekking. Bij de beoordeling van een aanvraag geldt weliswaar een andere bewijslastverdeling, maar bij beoordeling van de vraag of appellant voldoende feitelijke grondslag aannemelijk heeft gemaakt om de intrekking te kunnen dragen, is slechts de bewijskracht van de onderzoeksgegevens van belang, en niet het doel waarmee zij verkregen zijn.


4.5.1.

Betrokkene heeft zich op 3 oktober 2013 gemeld voor het doen van een aanvraag. Bij de inname van zijn aanvraag op 29 oktober 2013 heeft hij verklaard dat hij sinds

september 2013 bijna elke nacht op het podium slaapt en daar ’s ochtends rond 8:00 uur vertrekt. Betrokkene heeft bij die gelegenheid zogenoemde zevendagenformulieren overgelegd waarop hij vanaf 26 september 2013 per dag heeft vermeld waar hij heeft verbleven. Op 8 november 2013 heeft betrokkene een opgave verblijfslocatie(s) dak- thuisloze ondertekend. Volgens deze opgave heeft betrokkene verklaard te verblijven op het podium of op het landje, dat deze opgave volledig is en dat hij weet dat hij iedere wijziging moet doorgeven aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI).


4.5.2.

Naar aanleiding van de zojuist genoemde opgave hebben handhavingsspecialisten van de afdeling Controle bijzondere doelgroepen een onderzoek ingesteld naar de verblijfplaats van betrokkene. Daartoe hebben zij op 11 november 2013 omstreeks 7:45 uur op het landje naar betrokkene gezocht en hem niet aangetroffen. Ter plekke hebben zij betrokkene gebeld op zijn mobiele telefoon. Betrokkene verklaarde onder meer dat hij die nacht in het [locatie 2] had geslapen, 20 minuten geleden daarvandaan was vertrokken, hij niet bleef tot 8:00 uur omdat het regende en dat DWI dat ook niet van hem kan verwachten.

Op 12 november 2013 omstreeks 6:30 uur hebben de handhavingsspecialisten opnieuw op het landje naar betrokkene gezocht met grote zaklampen, terwijl zij zijn naam riepen. Betrokkene is niet aangetroffen. Om 7:00 uur hebben de handhavingsspecialisten op dezelfde wijze bij het podium gezocht naar betrokkene en hem niet aangetroffen. De handhavingsspecialisten hebben op 13 november 2013 omstreeks 6:25 uur en 6:45 uur opnieuw en op vergelijkbare manier gezocht naar betrokkene op respectievelijk het podium en het landje en hem niet aangetroffen. Die dag heeft betrokkene telefonisch verklaard dat hij de afgelopen nacht in het [locatie 1] had geslapen en daar om 8:00 uur is vertrokken, de nacht ervoor in het [locatie 2] had geslapen en daar om 8:15 uur was vertrokken en dat hij er geen verklaring voor had dat de handhavingsspecialisten hem niet hadden aangetroffen.


4.5.3.

De handhavingsspecialisten hebben de resultaten van hun onderzoek vastgelegd in een rapportage die zij op 13 en 14 november 2013 hebben ondertekend. Zij komen tot de conclusie dat de woon- en leefsituatie van betrokkene niet is vast te stellen omdat zijn verklaring daarover niet spoort met de situatie die op de opgegeven locaties is aangetroffen.


4.6.1.

De zogenoemde sms-procedure van appellant houdt, voor zover hier van belang, in dat een adresloze wordt opgedragen tot wederopzegging iedere avond een sms-bericht te sturen aan een bepaald telefoonnummer van appellant, waarin die betrokkene onder opgave van naam meedeelt op welk adres hij die nacht denkt te verblijven en op welk tijdstip hij de volgende ochtend denkt te vertrekken.


4.6.2.

Het betoog van betrokkene dat appellant onvoldoende maatwerk voor betrokkene als adresloze heeft verricht door op hem niet de sms-procedure toe te passen, faalt. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting toegelicht dat de sms-procedure maatwerk is voor adreslozen, die door hun omstandigheden niet langer dan kort van te voren kunnen aangeven waar zij de nacht gaan doorbrengen. Betrokkene behoorde niet tot deze doelgroep binnen de bijzondere doelgroep van adreslozen, omdat hij juist wel geruime tijd vooruit kon aangeven dat hij op de twee opgegeven locaties zou gaan verblijven, en dat voorgenomen gedrag overeenkwam met de opgave die betrokkene had gedaan op de zevendagenformulieren over de periode vanaf september 2013. Daarom was appellant niet gehouden de sms-procedure op betrokkene toe te passen.


4.7.

De onder 4.5 genoemde onderzoeksgegevens vormen voldoende grondslag voor het oordeel dat betrokkene in de periode van 11 tot en met 13 november 2013 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van zijn actuele leef- en verblijfssituatie en dat daardoor het recht op bijstand van betrokkene met ingang van

13 november 2013 niet is vast te stellen.


4.8.

Uit 4.4, 4.6 en 4.7 volgt dat de beroepsgronden geen doel treffen. Het beroep tegen het nader besluit moet daarom ongegrond worden verklaard.


5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.225,-, te weten voor een verweerschrift en het bijwonen van het onderzoek ter plaatse en het verschijnen ter zitting.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 februari 2015 ongegrond;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.225,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2014.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.G. van den Berg




HD