Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 14-3815 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1254

Inhoudsindicatie
Bijstand ten onrechte ingetrokken. Onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat betrokkene onjuiste opgave heeft gedaan van haar woonsituatie in die zin dat zij ten tijde hier van belang niet op het uitkeringsadres haar hoofdverblijf had.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
14-3815 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3815 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 juni 2014, 13/6888 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. de Back, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz. Namens betrokkene is mr. De Back verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene heeft vanaf 23 mei 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen.


1.2.

In een melding door een casemanager werk van de gemeente Capelle aan den IJssel dat zij betrokkene twee keer had uitgenodigd voor een gesprek en dat dit beide keren door een andere persoon werd afgebeld, heeft appellant aanleiding gezien voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat verband hebben bijzondere controleurs van de gemeente onderzoek verricht, onder meer bestaande uit onderzoek bij de Dienst Wegverkeer en waarnemingen op acht dagen bij de woning van betrokkene op het adres[uitkeringsadres] (uitkeringsadres) in de periode van 2 mei 2013 tot en met 21 mei 2013. Voorts hebben zij op 16 mei 2013 twee maal tevergeefs getracht een huisbezoek aan de woning van betrokkene af te leggen. Bij de tweede poging hebben zij omstreeks 10.37 uur een brief in de brievenbus gedeponeerd met het verzoek aan betrokkene om die dag om 13.00 uur op kantoor te verschijnen voor een gesprek.


1.3.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft appellant het recht op bijstand van betrokkene met ingang van die datum opgeschort, omdat zij die dag niet op kantoor was verschenen. Daarbij is betrokkene bij wijze van een herstelmogelijkheid uitgenodigd voor een gesprek op

23 mei 2013. Van die mogelijkheid heeft betrokkene gebruik gemaakt. In de tussentijd hebben de bijzondere controleurs op 21 mei 2013 bij een buurtonderzoek twee buren van betrokkene gehoord.


1.4.

De bevindingen van het onderzoek van de bijzondere controleurs zijn neergelegd in een rapport van 28 mei 2013. Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft appellant bij besluit van 4 juni 2013 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 mei 2013 ingetrokken. Daaraan ligt ten grondslag dat de woon- en leefsituatie van betrokkene in ieder geval vanaf 1 mei 2013 onduidelijk is, waardoor haar recht op bijstand vanaf die datum niet langer kan worden vastgesteld.


1.5.

Bij besluit van 26 september 2013 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 16 mei 2013 en 4 juni 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de besluiten van 16 mei 2013 en 4 juni 2013 herroepen. Ten aanzien van de opschorting van het recht op bijstand heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat betrokkene een te korte termijn is gegeven om aan de oproep voor

16 mei 2013 gehoor te geven. Ten aanzien van de intrekking van de bijstand heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie van appellant dat betrokkene onjuiste opgave heeft gedaan over haar woonsituatie. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van appellant gelegen om indertijd nader onderzoek te doen naar de precieze woonsituatie van betrokkene.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover die ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 mei 2013. Appellant stelt zich, zoals toegelicht ter zitting, op het standpunt dat een toereikende grondslag bestaat voor het standpunt dat betrokkene ten tijde hier van belang niet woonde op het uitkeringsadres. Daardoor heeft betrokkene geen juiste informatie verstrekt over haar woon- en leefsituatie en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant bestrijdt dat aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegen dat [naam] hoofdverblijf heeft bij betrokkene.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep uitsluitend ziet op de intrekking van de bijstand per 1 mei 2013 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.


4.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 1 mei 2013 tot en met 4 juni 2013, de datum van het intrekkingsbesluit.


4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand, zoals hier aan de orde, is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.4.

Het standpunt van appellant dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat betrokkene in de te beoordelen periode geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, berust op het navolgende. Bij de verrichte waarnemingen in de periode van 2 tot en met

21 mei 2013 is betrokkene nimmer gezien. Daarbij is op drie dagen wel gezien dat een man met vier kinderen omstreeks 8.00 uur de woning van betrokkene verliet en is een keer gezien dat deze man met de kinderen omstreeks 16.00 uur bij die woning terugkeerde. Eveneens is gezien dat de man gebruik maakte van de auto die op naam van betrokkene staat geregistreerd. Bij de twee pogingen op 16 mei 2013 om een huisbezoek aan de woning van betrokkene af te leggen, werd niet open gedaan. Bij het buurtonderzoek op 21 mei 2013 heeft de buurvrouw verklaard dat zij betrokkene al een hele tijd niet had gezien en de buurman dat hij betrokkene een paar weken niet had gezien. Op 23 mei 2013 heeft betrokkene verklaard dat zij vaak bij familie is en daarom vaak niet thuis is.


4.5.1.

Deze gegevens, ook in onderling verband bezien, zijn niet toereikend om daarop de conclusie te baseren dat betrokkene in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonde. Uit de waarnemingen en de verklaring van de buren kan alleen worden afgeleid dat de bijzondere controleurs en de beide buren betrokkene niet in of bij haar woning hebben gezien. Uit de aantekeningen van de bijzondere rapporteurs blijkt dat zij niet hebben kunnen waarnemen wie zich in de woning op het uitkeringsadres bevond, omdat de gordijnen dicht waren. De buurvrouw heeft weliswaar verklaard dat zij betrokkene al een hele tijd niet heeft gezien, maar ook dat zij in de voorafgaande week had gehoord dat betrokkene ruzie maakte. De buurman heeft ook verklaard dat hij betrokkene een week of twee tevoren in een ziekenhuis in Rotterdam had gezien. Betrokkene heeft verklaard dat zij vaak bij familie was en daarom niet thuis, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat zij elders hoofdverblijf had. Zij heeft ook verklaard dat zij vaak de deur niet opendoet als er bij haar wordt aangebeld. Tijdens de hoorzitting op 4 september 2013 is toegelicht dat betrokkene in een problematische schuldensituatie verkeert, zij bang is voor schuldeisers en beslaglegging, zodat zij de deur niet open durft te doen. Dit kan een verklaring zijn waarom betrokkene in de ochtend van

16 mei 2013 niet heeft gereageerd nadat de bijzondere controleurs hadden aangebeld. Vanwege haar problematische financiële situatie heeft betrokkene een beroep gedaan op schuldhulpverlening. In dat verband heeft betrokkene op 18 april 2013 een gesprek gevoerd bij de gemeente Capelle aan den IJssel, dat voortijdig is beëindigd omdat betrokkene zich niet goed voelde.


4.5.2.

De bij het onderzoek verzamelde gegevens kunnen, zoals appellant heeft aangevoerd, voldoende reden zijn voor twijfel over de woonsituatie van betrokkene, maar zijn op zichzelf niet voldoende om op basis daarvan de conclusie te trekken dat betrokkene over die woonsituatie onjuiste informatie heeft verstrekt in die zin dat zij niet op het uitkeringsadres woonde. Appellant heeft aangevoerd dat betrokkene in de gelegenheid is gesteld tijdens het gesprek op 23 mei 2013 de gerezen twijfel weg te nemen en dat zij dit niet heeft gedaan. Daarmee miskent appellant dat het bij een belastend besluit als hier aan de orde op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand is voldaan. Dat betrokkene tijdens het gesprek op 23 mei 2013 informatie heeft verstrekt, waaronder dat zij de voorafgaande drie weken haar kinderen naar school heeft gebracht, die gelet op de waarnemingen onmiskenbaar onjuist is, heeft de bij appellant bestaande twijfel niet weggenomen, maar ook daaruit kan niet worden afgeleid dat betrokkene elders hoofdverblijf had. Dat appellant, zoals aangevoerd, heeft afgezien van een huisbezoek omdat op basis van de waarnemingen en de verklaring van betrokkene die ingaat tegen de waarnemingen al blijkt dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, moet voor rekening van appellant blijven. Een huisbezoek na het gesprek met betrokkene op

23 mei 2013 had informatie kunnen opleveren over de feitelijke verblijfplaats van betrokkene.


4.6.

Uit 4.5.1 en 4.5.2 vloeit voort dat met de rechtbank wordt geoordeeld dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat betrokkene onjuiste opgave heeft gedaan van haar woonsituatie in die zin dat zij ten tijde hier van belang niet op het uitkeringsadres haar hoofdverblijf had. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C.H. Rombouts en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren




HD