Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 13-5850 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1255

Inhoudsindicatie
Het college heeft in 2005 afgezien van het nemen van een op grond van artikel 50, tweede lid, van de WWB gebonden belastend besluit om de aanvullende bijstand om te zetten in een lening en vervolgens daarvoor hypothecaire zekerheid te verlangen (vanwege de aanwezigheid van overwaarde op de eigen woning), omdat het college het destijds van onbehoorlijk bestuur vond getuigen om hiertoe over te gaan. Hieruit volgt echter niet dat aan appellante uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk is toegezegd dat de vorm van de bijstand nimmer gewijzigd zou worden naar die van een geldlening. De Svb was daarom niet gehouden af te zien van de gebonden bevoegdheid uit artikel 50, tweede lid, van de WWB om de AIO-aanvulling te verlenen in de vorm van een lening. Geen sprake van handelen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door jaren na de eerste toekenning van de aanvullende bijstand alsnog de AIO-aanvulling om te zetten naar een lening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-22
Zaaknummer
13-5850 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/5850 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2013, 13/880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Nadien heeft A.M.J.G.M. Oomen zich als gemachtigde gesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Namens appellante is Oomen verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.1.1. Appellante ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Daarnaast ontvangt appellante vanaf oktober 2002 aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden. Zij ontving deze bijstand eerst op grond van de Algemene bijstandswet en nadien ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (college), vervolgens van de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtssteden en per 1 november 2008 van de Svb. Vanaf 1 januari 2010 ontvangt appellante bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen als bedoeld in artikel 47a van de WWB (AIO-aanvulling).


1.2.

De Svb heeft in het kader van een herbeoordeling van het recht op bijstand onderzoek verricht naar het woningbezit van appellante. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat de waarde van de woning van appellante op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde) op 28 februari 2011 € 187.000,- bedroeg en dat zij op 1 november 2011 een (resterende) hypotheekschuld had van € 28.312,76.


1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft de Svb aanleiding gezien om bij besluit van

15 oktober 2012 de AIO-aanvulling met ingang van 1 oktober 2012 in de vorm van een geldlening te verstrekken. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante overwaarde heeft op haar woning die meer bedraagt dan het voor haar geldende vrijlatingsbedrag van € 46.100,-. De overwaarde van de woning is vastgesteld op € 110.687,24. Dit bedrag is de WOZ-waarde per 28 februari 2011 van € 187.000,- minus de hypotheekschuld, andere schulden en het vrijlatingsbedrag. Appellante ontvangt de

AIO-aanvulling tot aan het bedrag van de overwaarde in de vorm van een lening. Appellante dient als zekerheid voor de nakoming van de aflossingsverplichting een (krediet)hypotheek te vestigen. Appellante heeft daaraan haar medewerking verleend.


1.4.

Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat gelet op de gebonden bevoegdheid van artikel 50, eerste lid, van de WWB om de vorm van de bijstand om te zetten naar een lening bij te groot in de eigen woning gebonden vermogen, niet snel kan worden aangenomen dat het vertrouwensbeginsel deze wettelijke bepaling buiten toepassing doet blijven en dat appellanten geen specifieke en ondubbelzinnige toezegging aannemelijk hebben gemaakt, of anderszins een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het college in het verleden uit oogpunt van behoorlijk bestuur ervan heeft afgezien om eerst vijf jaar na de aanvraag om aanvullende bijstand aan appellante alsnog de verplichting van een krediethypotheek op te leggen. Hieraan is de Svb ten onrechte voorbijgegaan. In de WWB is duidelijk neergelegd dat de Svb in principe de eerder genomen beslissing van het college moet overnemen. In dit geval is de woning niet in waarde vermeerderd zodat de door de Svb genoemde rechtspraak van de Raad hierover niet opgaat. Namens appellante is ter zitting toegelicht dat het appellante gaat om de omzetting van de vorm van de bijstand van om niet naar een schuld en dat de vestiging van de hypotheek daarvan een gevolg is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 50, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht heeft op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ingevolge artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft, indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, die bijstand de vorm van een geldlening voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d van de WWB.


4.2.

Artikel 78i, eerste lid, van de WWB bepaalt dat een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de WWB dat is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4, met ingang van die datum geldt als genomen door de Sociale verzekeringsbank op grond van paragraaf 5.4. Ingevolge artikel 78i, tweede lid, van de WWB gaat de toepassing van paragraaf 6.5 in relatie tot besluiten als bedoeld in het eerste lid na de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 over op de Sociale verzekeringsbank. Ingevolge artikel 78i, derde lid, van de WWB geldt een tot het college gericht verzoek door een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, om een besluit te nemen, waarop op de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 nog niet is beslist, met ingang van die datum als te zijn gericht tot de Sociale verzekeringsbank. Paragrafen 5.4 en 6.5 zien respectievelijk op de uitvoering door de Svb van de

AIO-aanvulling en het verhaal van kosten van bijstand.

4.3.

In artikel 87j, artikel 78k en artikel 78l van de WWB is in verband met de uitvoering van de Svb van de AIO-aanvulling overgangsrecht opgenomen over onderscheidenlijk bestaande vorderingen, de overgang van bestaande krediethypotheken en bezwaar en beroep.


4.4.

In de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met de overheveling van de uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of ouder van de gemeenten naar de Svb (Kamerstukken 2008/2009, 32 037,

nr. 3, blz. 16) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:



“De hoofdregel is, dat besluiten van de gemeenten over bijstandsverlening aan een

65 plusser op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel gelden als besluiten van de SVB. Voor bepaalde overgangssituaties dient daarnaast nog overgangsrecht te worden vastgesteld. Uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat gemeenten, vanwege het financiële belang, bevoegd blijven tot besluitvorming over de verlening van bijstand die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan personen die op die datum bijstand ontvangen van de SVB of die geen bijstand meer ontvangen. Dit heeft gevolgen voor terugvordering van te veel of ten onrechte verstrekte bijstand, voor verhaal van bijstand op derden en voor beslissingen in bezwaar en het behandelen van beroep en hoger beroep, waarbij de gemeente beslissingsbevoegd en partij blijft.”


Op pagina 27 van Kamerstukken 2008/2009, 32 037, nr 3, is verder, voor zover van belang, het volgende vermeld:


“Artikel 78i regelt dat besluiten over de verlening van de algemene bijstand van de gemeenten met ingang van de inwerkingtreding van deze wet gelden als besluiten van de SVB.

Ten aanzien van krediethypotheken is het volgende bepaald. Uitkeringen, die nog in de vorm van een lening worden verstrekt en waarbij als dekking een hypotheek is gevestigd gaan over op de SVB. De SVB treedt dan in de rechten van de colleges (artikel 78k). De hypotheekakte wordt dan op naam van de SVB gesteld in de registers. Daarvoor bevat artikel 78k ook bepalingen, zodat niet per geval aktes hoeven te worden opgemaakt. In geval de bijstand inmiddels niet meer in de vorm van een lening wordt verstrekt bij de overgang van de uitkeringsverstrekking naar de SVB blijft de gemeente bevoegd bij verkoop van de woning via de gevestigde krediethypotheek de vordering op grond van de lening te innen. Hierop heeft artikel 78j, tweede lid betrekking.”


4.5.

Uit de hiervoor in 4.4 aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis volgt dat besluiten over de verlening van de algemene bijstand voor personen van 65 jaar of ouder die door het college zijn genomen vóór 1 januari 2010, met ingang van 1 januari 2010 gelden als te zijn genomen door de Svb, tenzij anders geregeld in de in 4.3 vermelde bepalingen van overgangsrecht. Van een situatie als neergelegd in de overgangsregels van artikel 78i, tweede en derde lid, en de artikelen 78j tot en met 78l van de WWB is hier geen sprake. Gelet op de bedoeling van de wetgever zoals deze uit de hoofdregel naar voren komt, moet in het voorkomende geval een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging omtrent de vorm van de bijstand, gedaan door het bestuursorgaan waarvan de Svb met ingang van 1 januari 2010 de taak tot het verlenen van een AIO-aanvulling heeft overgenomen, worden aangemerkt als een besluit tot verlening van de algemene bijstand als neergelegd in artikel 78i, eerste lid, van de WWB. Appellante kan daarom in zoverre in haar betoog worden gevolgd dat een door het college in het verleden gedane toezegging over de vorm van de aanvullende bijstand, bijvoorbeeld inhoudende dat geen krediethypotheek zou worden toegepast, na 1 januari 2010 als toezegging van de Svb heeft te gelden ten aanzien van de AIO-aanvulling. 4.6. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat in 2005 van een dergelijke toezegging sprake is geweest. In een telefoonrapport van 27 februari 2012 is vermeld dat een medewerker van de Svb heeft gesproken met J. Bachman van de Sociale Dienst Drechtsteden. Zij bevestigde het verhaal van appellante dat er in het verleden geen krediethypotheek is gevestigd op grond van het vertrouwensbeginsel, omdat “ze” destijds pas na vijf jaar krediethypotheek wilden gaan vestigen. In een door J. Bachman nagezonden rapportage van een medewerker van de gemeente Dordrecht van 26 augustus 2005 is het volgende, zakelijk weergegeven, vermeld. Bij rapport van 11 februari 2002 werd aangegeven dat onderzoek zou worden gedaan naar het eventueel vestigen van een krediethypotheek. Een en ander is nimmer opgepakt en hoewel betrokkene in 2002 een brief heeft ontvangen dat er mogelijk zou worden overgegaan tot het vestigen van een krediethypotheek, zijn hiertoe tot op heden geen stappen ondernomen. De medewerker is van mening dat in dit geval sprake is van onbehoorlijk bestuur om vijf jaar na dato alsnog over te gaan tot het vestigen van een krediethypotheek. Analoog aan een vergelijkbaar geval wordt door de medewerker voorgesteld in dit geval af te zien van het vestigen van een krediethypotheek.


4.7.

Uit 4.6 volgt dat het college in 2005 heeft afgezien van het nemen van een op grond van artikel 50, tweede lid, van de WWB gebonden belastend besluit om de aanvullende bijstand om te zetten in een lening en vervolgens daarvoor hypothecaire zekerheid te verlangen, omdat het college het destijds van onbehoorlijk bestuur vond getuigen om hiertoe over te gaan.

Uit 4.6 volgt echter niet dat aan appellante uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk is toegezegd dat de vorm van de bijstand nimmer gewijzigd zou worden naar die van een geldlening. De Svb was daarom niet gehouden af te zien van de gebonden bevoegdheid uit artikel 50, tweede lid, van de WWB om de AIO-aanvulling te verlenen in de vorm van een lening.


4.8.

Ten slotte heeft de Svb, mede gelet op de gebonden bevoegdheid van artikel 50, tweede lid, van de WWB, niet gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door jaren na de eerste toekenning van de aanvullende bijstand alsnog de AIO-aanvulling om te zetten naar een lening.


4.9

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD