Centrale Raad van Beroep, 14-04-2015 / 14-1254 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1258

Inhoudsindicatie
Herziening bijstand naar de gehuwdennorm met een verlaging van 10%. Intrekking langdurigheidstoeslag over 2004 tot en met 2012. Terugvordering. Niet gemeld dat zoon bij appellanten inwoonde en dat hij inkomsten had. Geen grond voor het oordeel dat het college de onderzoeksbevindingen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Deze onderzoeksbevindingen bieden, in onderlinge samenhang bezien, toereikende grondslag voor de conclusie dat de zoon in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had bij appellanten op het uitkeringsadres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-14
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
14-1254 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/196 met annotatie van C.W. van Ooijen
Uitspraak

14/1254 WWB

Datum uitspraak: 14 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 januari 2014, 13/1947 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellanten] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P. Gerritsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Namens appellanten is verschenen mr. Gerritsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvangen sinds 15 augustus 1998 bijstand, ten tijde hier in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellanten zijn gehuwd en hebben twee zoons, [X.], geboren [in] 1982 en [Y.], geboren [in] 1985. Appellanten en hun zoons staan sinds 15 augustus 1998 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregristratie personen) op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 1] (uitkeringsadres). [X.] is op 30 juli 2001 in de GBA van het uitkeringsadres uitgeschreven en [Y.] op 1 april 2003.


1.2.

Naar aanleiding van een melding van 23 mei 2011 van een medewerker van het college, inhoudende dat er aanwijzingen zijn dat de zoon van appellanten ([Y.]) bij hen woont, heeft de afdeling Handhaving en Bijzondere Regelingen van Hengelo een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben medewerkers van deze afdeling onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties uitgevoerd, diverse instanties, waaronder de ING, Vitens en de werkgever van [Y.] om inlichtingen verzocht, een huisbezoek aan de woning van appellanten gebracht, appellanten meerdere malen verhoord en diverse buurtbewoners en getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 december 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

1 februari 2013 de bijstand van appellanten over de periode van 1 april 2003 tot en met

25 mei 2012 te herzien in die zin dat de bijstand wordt verleend naar de gehuwdennorm met een verlaging van 10%. Daarnaast heeft het college de langdurigheidstoeslag over 2004 tot en met 2012 ingetrokken en de kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 25.560,88 van appellanten teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten niet hebben gemeld dat hun zoon [Y.] in genoemde periode bij hen inwoonde en dat hij inkomsten had. Appellanten hebben de kosten voor levensonderhoud met [Y.] kunnen delen.

1.4.

Bij besluit van 9 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voeren aan dat de melding van 23 mei 2011 onvoldoende feitelijke grondslag bood voor het instellen van een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Bij het onderzoek zijn vergaande disproportionele onderzoeksmethoden ingezet die een ongerechtvaardigde inbreuk maken op het privéleven van appellanten. De bij het onderzoek verkregen bewijsmiddelen zijn daarom onrechtmatig verkregen en dienen buiten beschouwing te worden gelaten. Als gevolg daarvan vormen de bevindingen een ontoereikende grondslag voor het standpunt dat [Y.] in de periode in geding zijn hoofdverblijf in de woning van appellanten had.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 26 van de WWB kan het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de WWB verlagen voor zover de belanghebbende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.


4.2.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of zoon [Y.] in de periode van 1 april 2003 tot en met 25 mei 2012 zijn hoofdverblijf had bij appellanten op het uitkeringsadres, waardoor appellanten de noodzakelijke kosten van het bestaan met hem hebben kunnen delen.


4.3.1.

De melding van 23 mei 2011 hield in dat op grond van aanwijzingen het vermoeden bestond dat de jongste zoon van appellanten bij hen woonde. Een medewerker van het college had telefonisch contact met appellanten opgenomen om een huisbezoek aan te kondigen in verband met een aanvraag om bijzondere bijstand. Een jongeman, die de zoon van appellanten bleek te zijn, nam de telefoon op en gaf zonder enige reden aan waarom hij op dat moment in huis was, namelijk omdat hij wat kwam ophalen en dat zijn ouders naar de tandarts waren. Appellante belde niet veel later en vertelde zonder dat daarnaar gevraagd werd ook dat haar zoon wat kwam halen. Tijdens het huisbezoek vertelde appellante ongevraagd dat de jongste zoon bij de oudste zoon inwoont in [plaatsnaam 2], terwijl de jongste in [plaatsnaam 1] werkt. Bij het huisbezoek liet appellante één van de drie slaapkamers niet zien.


4.3.2.

De wettelijke grondslag voor het verrichten van onderzoek is gelegen in artikel 53a van de WWB. Anders dan appellanten betogen heeft het college in de melding van 23 mei 2011 aanleiding kunnen zien voor het instellen van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellanten. Hierbij is van belang dat de melding afkomstig was van een medewerker van het college en dat deze melding concreet en gedetailleerd was. De omstandigheid dat de aanvraag om bijzondere bijstand was bedoeld voor laminaat in de woonkamer, maakt niet dat de weigering van appellante om een van de slaapkamers te laten zien geen twijfel over de opgegeven woon- en leefsituatie kon opleveren.


4.4.1.

Naar aanleiding van de melding hebben sociaal rechercheurs van de afdeling Handhaving en Bijzondere Regelingen van Hengelo, voor zover van belang voor de periode in geding, van 14 december 2011 tot en met 2 april 2012 vijftien waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en het werk van [Y.], te weten [werkgever] De waarnemingen zijn beschreven in een proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2012. De met de waarnemingen gemaakte inbreuk op de privacy is niet ongeoorloofd. Deze inbreuk is immers niet onevenredig ten opzichte van het met het onderzoek nagestreefde doel en dit doel kon ook niet op een minder ingrijpende wijze worden bereikt. Het ging om een beperkt aantal waarnemingen vanaf de openbare weg, waarbij niet dagelijks en op verschillende tijdstippen van de dag werd geobserveerd.


4.4.2.

Uit de waarnemingen is gebleken dat de auto van appellante, zijnde een grijze Citroën Xsara met kenteken [kenteken], op 2 februari 2012 om 21.15 uur stond geparkeerd bij de [werkgever] in [plaatsnaam 1] en dat [Y.] met die auto om 21.31 uur van zijn werk naar de parkeerplaats van de [naam kerk] in [plaatsnaam 1] reed en daar de auto parkeerde. De volgende ochtend stond de auto geparkeerd op de parkeerplaats tegenover de woning van appellanten en waren de ramen van de auto bevroren. Op 15 februari 2012 om 23.21 uur stond de Citroën Xsara op de parkeerplaats bij de [werkgever] te [plaatsnaam 1] geparkeerd en werd waargenomen dat [Y.] door de [werkgever] liep. Op meerdere dagen stond de auto bij of in de buurt van het flatgebouw van appellanten geparkeerd.


4.5.1.

Van 21 maart 2012 tot en met 23 maart 2012 (omstreeks 9.45 uur) hebben met een camerawagen statische waarnemingen van de centrale ingang van het flatgebouw van het uitkeringsadres plaatsgevonden. Deze waarnemingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2012. Op 22 maart 2012 is telefonisch een voormalig buurtbewoner gehoord, die van 1 december 2004 tot 4 januari 2010 heeft ingeschreven gestaan op het adres met dezelfde centrale ingang als de woning van appellanten. De met de statische waarnemingen en het telefonisch horen van de voormalig buurtbewoner gemaakte inbreuk op de privacy zijn niet ongeoorloofd. Gelet op de melding en de uit de eerdere waarnemingen naar voren gekomen constatering dat [Y.] gebruik maakte van de auto van appellante en daarmee naar zijn werk en naar het uitkeringsadres reed, is deze inbreuk niet onevenredig ten opzichte van het met het onderzoek nagestreefde doel om de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand te onderzoeken. Dit doel kon ook niet op een minder ingrijpende wijze worden bereikt. De statische waarnemingen waren van beperkte duur (minder dan drie dagen) en waren gericht op de centrale ingang van het flatgebouw vanaf de openbare weg. Eenmaal is een moment na middernacht vermeld waarop de camera is uitgelezen, maar dit maakt de statische observaties in dit geval niet disproportioneel. Het buurtonderzoek heeft zich op dat moment beperkt tot het horen van één getuige.


4.5.2.

Uit het proces-verbaal van de statische waarnemingen op 21, 22 en 23 maart 2012 blijkt dat [Y.] op 21 maart 2012 om 12.47 uur uit de centrale ingang naar buiten komt lopen. Om 19.23 uur komt [Y.] aangelopen, opent de deur van de centrale ingang en gaat het pand binnen. Op 22 maart 2012 om 13.03 uur verlaten [Y.] en een andere man het gebouw, om 16.42 uur komt [Y.] weer aanlopen, opent de deur en gaat naar binnen. Om 22.05 uur verlaat hij het gebouw weer. Op 23 maart 2012 om 1.42 uur opent een man de deur en gaat naar binnen. De voormalig buurtbewoner van appellanten heeft, voor zover van belang, verklaard dat hij tot halverwege de maand december in 2009 op het adres [adres 2] heeft gewoond. Het uitkeringsadres is het adres naast hem waar een Turks/Syrisch gezin woont. De hele periode dat getuige daar woonde, woonden een man, een vrouw en twee zoons op het uitkeringsadres. De zoons zag hij regelmatig en hij sprak hen ook af en toe. De oudste zoon is in de tussentijd getrouwd en na de trouwerij zag hij hem ook af en toe in de flat. Getuige heeft het beeld dat


de jongste zoon op het uitkeringsadres woonde omdat hij hem vaker zag dan de broer. Als getuige vrij was zag hij de jongste zoon regelmatig.

4.6.1.

Vervolgens hebben sociaal rechercheurs op 25 mei 2012 een onaangekondigd huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een redelijke grond bestond voor het afleggen van dat huisbezoek. Op grond van de melding, de (statische) waarnemingen en de verklaring van de voormalig buurtbewoner was voorafgaand aan het huisbezoek duidelijk dat redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door appellanten verstrekte gegevens over hun woon- en leefsituatie. Bij de sociaal rechercheurs is uit de eerdere onderzoeksbevindingen terecht het beeld ontstaan dat [Y.] bij appellanten zijn hoofdverblijf had. De woon- en leefsituatie van appellanten is van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het college kon deze gegevens niet op een andere effectieve en voor appellanten minder belastende wijze verifiëren.

4.6.2.

Tijdens het huisbezoek op 25 mei 2012 is appellante gehoord. Een verslag van het gesprek is neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2012. Appellante verklaarde aanvankelijk dat [Y.] niet bij hen woonde en dat hij soms één keer, soms twee keer en soms vier keer per maand bij hen sliep. Appellant had vlak daarvoor buiten aanwezigheid van appellante verklaard dat [Y.] daar één tot twee dagen per week was. Later verklaarde appellante dat [Y.] zijn hoofdverblijf bij hen op het uitkeringsadres heeft. Sinds de werkgever van [Y.] failliet was gegaan, verbleef [Y.] meer bij hen, maar daarvoor was hij ook veel bij hen. Uiteindelijk antwoordde appellante op de vraag van de sociaal rechercheur of [Y.], na zijn uitschrijving uit de GBA per 1 april 2003, ooit weg was geweest, dat [Y.] niet weg was gegaan naar een ander adres, dat het altijd zo was gebleven. Appellante verklaarde dat ze niet bewust hebben verzwegen dat hun zoon bij hen woonde. Het voelde voor hen ook niet zo omdat hij ook niet ingeschreven stond.


4.6.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Weliswaar is geen ondertekende verklaring van het verhoor tijdens het huisbezoek aanwezig, maar het verhoor is vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van twee sociaal rechercheurs dat op de dag van het huisbezoek is opgesteld. In beginsel kan van de juistheid van de inhoud van dit proces-verbaal worden uitgegaan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellante haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Van belang is dat appellante haar verklaring, na geconfronteerd te zijn met de onderzoeksbevindingen van de sociaal rechercheurs, tijdens het verhoor heeft bijgesteld. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het huisbezoek blijkt ook niet dat op haar ongeoorloofde druk is uitgeoefend. Anders dan appellanten aanvoeren, is uit de brief van appellanten aan het college van 7 juni 2012 niet op te maken dat zij die brief sturen om duidelijk te maken dat appellante tijdens het huisbezoek woorden in de mond zijn gelegd. De brief is een reactie op een schriftelijk verzoek van het college van 25 mei 2012 om de inkomensgegevens van [Y.] over te leggen. In de brief ontkennen appellanten juist dat zij zouden hebben gezegd dat [Y.] nooit het huis heeft verlaten. Deze brief is dan ook onvoldoende om aan de wijze van totstandkoming van de verklaring van appellante tijdens het huisbezoek, zoals neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen, te twijfelen.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college de in 4.4.2, 4.5.2 en 4.6.2 weergegeven onderzoeksbevindingen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Deze onderzoeksbevindingen bieden, in onderlinge samenhang bezien, toereikende grondslag voor de conclusie dat [Y.] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had bij appellanten op het uitkeringsadres.


4.8.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en A.M. Overbeeke en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2015.




(getekend) M. Hillen




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD