Centrale Raad van Beroep, 23-01-2015 / 13-6506 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:126

Inhoudsindicatie
Intrekking WIA-uitkering. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-23
Publicatiedatum
2015-01-27
Zaaknummer
13-6506 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6506 WIA

Datum uitspraak: 23 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 november 2013, 13/1808 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 27 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 4 juni 2010 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Bij besluit van eveneens 27 april 2011 heeft het Uwv meegedeeld dat appellant met ingang van 21 april 2011 30,77% arbeidsongeschikt is, maar dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt. Het recht op de loongerelateerde uitkering zal eindigen op 4 juli 2012. In bezwaar heeft psychiater

H. Kondakçi op verzoek van het Uwv op 10 maart 2011 een psychiatrische expertise verricht waarin hij concludeert dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis, met depressieve stemming, chronisch. Bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2011 zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 april 2011 ongegrond verklaard. Dit besluit staat in rechte vast.


1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft op 23 juli 2012 onderzoek

plaatsgevonden door een arts van het Uwv. Deze arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin op grond van de psychische klachten van appellant beperkingen zijn vastgelegd in het persoonlijk en sociaal functioneren. Tevens is daarin vastgelegd dat appellant niet ’s nachts kan werken en niet in sterk wisselende diensten. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige drie functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft het Uwv meegedeeld dat appellant ongewijzigd minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de WGA-vervolguitkering niet wijzigt.


1.3.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 4 februari 2013 geconcludeerd dat de primaire arts met zijn eigen onderzoek het medisch oordeel, zoals dat mede naar voren komt uit het rapport van Kondakçi, op correcte wijze heeft geactualiseerd. In een rapport van 12 februari 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Bij beslissing op bezwaar van 13 februari 2012 (lees: 2013) (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

31 augustus 2012 ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft appellant brieven ingezonden van 7 juni 2013 en 18 oktober 2013 van zijn behandelend psycholoog drs. C. Tunca.


2.2.

In rapporten van 24 april 2013 en 31 oktober 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de ingebrachte informatie van psycholoog Tunca geen aanleiding geeft tot wijziging van zijn standpunt.


2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Evenals in bezwaar en beroep heeft appellant in hoger beroep naar voren gebracht dat de verzekeringsartsen de beoordeling niet mochten baseren op de expertise van psychiater Kondakçi, aangezien dat rapport op de datum in geding 16 maanden oud was. Appellant heeft gesteld dat de door hem in beroep ingebrachte informatie uit 2013 dichter bij de datum in geding ligt. Naar de mening van appellant dient een psychiater te worden benoemd als deskundige.


3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant de beoordeling door de verzekeringsartsen leidend is geweest. Het rapport van psychiater Kondakçi was daarbij één van de informatiebronnen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 4 juli 2012.


4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De primaire arts heeft een inschatting gemaakt van de actuele gezondheidssituatie van appellant en de daarbij behorende beperkingen. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 februari 2013 vastgesteld dat op grond van de expertise van 10 maart 2011 voldoende duidelijk is welke psychopathologie speelt en welke diagnose is gesteld. Met het onderzoek van 23 juli 2012 is het medisch oordeel geactualiseerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om de FML te wijzigen.


4.3.

De Raad heeft in wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om over de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Uit de overgelegde informatie van psycholoog Tunca uit 2013 volgt niet dat appellant op de datum in geding, 4 juli 2012, meer beperkt was dan door de artsen van het Uwv is aangenomen. De Raad ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen.


4.4.

Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde beperkingen, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht niet passend zouden zijn voor appellant.


4.5.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) B. Rikhof





IJ