Centrale Raad van Beroep, 22-04-2015 / 12-6659 TW


ECLI:NL:CRVB:2015:1265

Inhoudsindicatie
Terugvordering voorschot TW na 1 juli 2009. Art. 4:95 lid 4 Awb is niet van toepassing.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
12-6659 TW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

12/6659 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

13 november 2012, 12/3357 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 april 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. Gürsus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN


1.1.

Aan appellant is met ingang van 10 november 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Daarnaast heeft appellant vanaf

24 maart 2010 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 24 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van diezelfde datum in aanmerking komt voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). De toeslag is berekend op een bedrag van € 53,77 per dag en bepaald is dat de toeslag als voorschot wordt betaald.


1.2.

Bij besluit van 13 september 2011 heeft het Uwv de aan appellant toegekende toeslag met terugwerkende kracht tot 24 maart 2010 herzien naar een bedrag van € 9,96 per dag omdat bij de toekenning van de toeslag ten onrechte geen rekening was gehouden met de

ZW-uitkering. Tevens heeft het Uwv bij dit besluit over de periode van 24 maart 2010 tot en met 30 september 2011 een bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslag van € 18.593,71 teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 29 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 september 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem tot een te hoog bedrag toeslag werd verstrekt omdat hij maandelijks een bedrag van bijna € 1.000,- meer aan uitkering ontving dan het voor hem geldende minimum. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank geen gegevens ingebracht die een dringende reden, in de zin van artikel 11a, tweede lid en artikel 20, vierde lid van de TW, zoals dat gold tot 1 januari 2013, kunnen opleveren om van terugvordering af te zien.


3. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat het hem, gelet op zijn psychische gesteldheid, redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij teveel toeslag ontving. Het Uwv had moeten afzien van herziening met terugwerkende kracht. Er zijn dringende redenen omdat de terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zal hebben. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant een rapport van psycholoog

L. Pommée van 23 juni 2011 ingebracht.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de TW heeft een gehuwde recht op toeslag indien hij recht heeft op een loondervingsuitkering en per dag een inkomen heeft dat lager is dan het voor hem geldende minimum per dag.


4.1.2.

Op grond van artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van toeslag indien de toeslag tot een te hoog bedrag is verleend. In het tweede lid van artikel 11a TW is bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.1.3.

Op grond van artikel 4:95, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan, vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen. In artikel 4:95, vierde lid, van de Awb is onder meer bepaald dat een onverschuldigd betaald voorschot kan worden teruggevorderd.


4.1.4.

In artikel 17 van de TW is bepaald dat een voorschot op een nog niet vastgestelde toeslag wordt beschouwd als een toeslag op grond van deze wet.


4.1.5.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die als gevolg van onder meer een besluit als bedoeld in artikel 11a TW onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. In het vierde lid, geldend ten tijde in geding, is bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.2.1.

Het bestreden besluit betreft de herziening en terugvordering van voorschotten die op grond van de TW zijn betaald. Voor de beoordeling van het bestreden besluit is van belang of het Uwv tot terugvordering bevoegd of verplicht was.


4.2.2.

Artikel 4:95 van de Awb is ingevoerd bij de Aanpassingswet vierde tranche Awb. In de Memorie van Toelichting bij deze wet (Kamerstukken II, 2006/07, 31 124, nr. 3, blz. 2) is de wetgever ingegaan op de verhouding tussen de met de vierde tranche Awb in te voeren bepalingen en de bijzondere wetgeving:


“Het karakter van de bepalingen in de vierde tranche is hoofdzakelijk dwingend van aard. Met betrekking tot bijvoorbeeld titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden wil dit zeggen dat de voorstellen omtrent de vaststelling en de inhoud van de betalingsverplichting, het tijdstip waarop de geldvordering verjaart alsmede wanneer aanmaning en invordering bij dwangbevel mogelijk is, voor het gehele bestuursrecht gelden. Voor de aanpassingswetgeving betekent dit allereerst dat bepalingen die met een dergelijk dwingend voorschrift in strijd zijn, dienen te vervallen. Hetzelfde geldt voor voorschriften in de bijzondere wetgeving die hetzelfde voorschrijven als het dwingende Awb-voorschrift: dergelijke bepalingen worden immers overbodig. Slechts op het niveau van formele wet kan zo nodig worden afgeweken van deze dwingendrechtelijke voorschriften. Dit dient dan in zulke gevallen uitdrukkelijk in de bijzondere wet te worden vermeld door middel van de formulering: ‘In afwijking van artikel … Awb …’.”


4.2.3.

Met de inwerkingtreding van artikel 4:95 van de Awb op 1 juli 2009 is artikel 17 van de TW gewijzigd in die zin dat daarin niet langer is bepaald dat het Uwv bevoegd is tot het betalen van een voorschot, maar is artikel 20, eerste lid, van de TW ongewijzigd gebleven. Aan het enkele feit dat niet is voorzien in toevoeging aan artikel 20, eerste lid, van de TW dat, voor zover sprake is van de terugvordering van een voorschot, wordt afgeweken van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb, wordt geen betekenis toegekend. Met de per 1 juli 2009 geldende tekst van de artikelen 17 en 20 van de TW is duidelijk dat de terugvordering van bij wijze van voorschot betaalde toeslagen een verplicht karakter heeft. Dat betekent dat - anders dan de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 8 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:12 met betrekking tot de terugvordering van een voorschot op grond van artikel 77 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, zoals dat artikel gold tot 1 januari 2013 - artikel 4:95, vierde lid, van de Awb in dit geval niet van toepassing is.


4.3.

Op grond van artikel 11a, eerste lid, van de TW was het Uwv verplicht zijn besluit van

24 maart 2010 te herzien. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW was het Uwv gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van

24 maart 2010 tot en met 30 september 2011.


4.4.

Appellant heeft zijn standpunt dat de herziening en terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft, niet met concrete gegevens onderbouwd. Van dringende redenen in de zin van de artikelen 11a, tweede lid, en 20, vierde lid, van de TW is slechts sprake indien door de herziening, de intrekking of de terugvordering van een toeslag onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden. Appellant heeft geen gegevens ingebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat daarvan sprake is.


4.5.1.

Met toepassing van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230, gewijzigd met ingang van 14 juli 2011, Stcrt. 2011, 12553, verder: Beleidsregels) ziet het Uwv ook in gevallen waarin dringende redenen in de zin van de wet niet aanwezig zijn, af van intrekking of herziening met terugwerkende kracht indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. De Beleidsregels van het Uwv moeten worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. De bestuursrechter aanvaardt de aanwezigheid en de toepassing ervan als een gegeven en toetst of de Beleidsregels op consistente wijze zijn toegepast.


4.5.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem tot een te hoog bedrag toeslag werd verstrekt. In het besluit van

24 maart 2010 is neergelegd dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant wordt aangevuld met een toeslag, opdat het inkomen voor hem als gehuwde in totaal 100% bedraagt van het minimumloon, zijnde € 64,72 bruto per dag. De toeslag is vastgesteld op een bedrag van

€ 53,77 per dag. Daarbij is vermeld dat de samengestelde uitkering daardoor met ingang van 24 maart 2010 uitkomt op € 64,72 bruto per dag. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant vanaf 24 maart 2010 in totaal aan uitkeringen op grond van de WAO, de ZW en de TW

€ 108,53 per dag heeft ontvangen. Dat is, zoals de rechtbank juist heeft vastgesteld, per maand ongeveer € 1.000,- meer dan uit het besluit van 24 maart 2010 volgt.


4.5.3.

Uit het door appellant overgelegde rapport van psycholoog Pommée van 23 juni 2011, dat is opgesteld ten behoeve van een aanvraag op grond van de Wet sociale werkvoorziening, volgt niet dat de psychische gesteldheid van appellant in de relevante periode vanaf

24 maart 2010 zodanig was dat hij niet in staat geacht kon worden het aanmerkelijke verschil op te merken tussen het bedrag dat hij maandelijks ontving en het bedrag waar hij recht op had op grond van het besluit van 24 maart 2010.


4.5.4.

Het Uwv heeft in overeenstemming met de Beleidsregels gehandeld door de aan appellant toegekende toeslag met terugwerkende kracht tot 24 maart 2010 te herzien.


4.6.

Uit 4.2.1 tot en met 4.5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) V. van Rij



NK