Centrale Raad van Beroep, 20-04-2015 / 13-5831 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1267

Inhoudsindicatie
Procesbelang en inkomenseis. Gevolgen primaire besluit bij wijziging percentage arbeidsongeschiktheid. Herroepen primair besluit en vergoeding kosten bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-20
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
13-5831 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5831 WIA

Datum uitspraak: 20 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 september 2013, 13/2897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. R. Kaya, advocaat. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 7 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 10 december 2012 recht op een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 80%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 22 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%.


1.2.

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft het Uwv appellante met ingang van 29 november 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij stelt daarbij dat zij weliswaar zoekt naar mogelijkheden om te genezen, maar dat zij niets meer kan doen aan haar ziekte; zij moet ermee leren leven en de pijn leren te verdragen. Appellante verzoekt om de vergoeding van de in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte kosten.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

In hoger beroep is in geschil of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante per

10 december 2012 moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de toegekende WGA-uitkering.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

In de uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) heeft de Raad overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.4.

De onder 4.3. genoemde door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) vast te stellen prognose ziet naar haar aard op de situatie en toestand van appellante op de datum met ingang waarvan de IVA-uitkering al dan niet zal worden toegekend, in dit geval 10 december 2012. Na deze datum bekend geworden medische feiten en/of inzichten zijn daarbij uitsluitend van belang voor zover zij bij genoemde prognose van de belastbaarheid een rol konden spelen.


4.5.

In navolging van de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante bij het bestreden besluit terecht met ingang van 10 december 2012 niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering, omdat zij op die datum weliswaar volledig, maar niet in bovenstaande zin duurzaam arbeidsongeschikt was. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van 10 juli 2013, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep conform de stappen van het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden, maar dat zowel ten aanzien van de psychische als lichamelijke klachten binnen een jaar nog verbetering van de belastbaarheid is te verwachten, zoals vermeld in stap 2, onder a, van het beoordelingskader. De in hoger beroep aangevoerde grond dat appellante steeds naar behandelmogelijkheden heeft gezocht, die echter uitsluitend tot acceptatie van de klachten en niet tot herstel daarvan hebben geleid, treft geen doel. Daarbij acht de Raad van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat appellante voor haar rugklachten ten tijde van de in geding zijnde datum onder behandeling was van een revalidatiearts van revalidatiecentrum ‘De Hoogstraat’, dat zij aansluitend aan deze behandeling voor haar psychische klachten onder behandeling is gekomen van een psycholoog en dat voor de duimklachten een operatie was gepland, zodat in de rede lag dat de functionele mogelijkheden van appellante nog zouden kunnen verbeteren. Het gegeven dat achteraf is gebleken dat de behandelingen geen verbetering hebben gebracht, zoals appellante ter zitting heeft aangevoerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat appellante zich op de datum in geding reeds in een medische situatie bevond op grond waarvan duurzame arbeidsongeschiktheid aan de orde is. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat appellante per latere datum, 29 november 2013, alsnog in aanmerking is gebracht voor een

IVA-uitkering. Immers, zoals onder 4.3 en 4.4. overwogen, gaat het om een prognose van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) die betrekking heeft op 10 december 2012, welke prognose in het geval van appellante voldoende deugdelijk onderbouwd is. In dat verband merkt de Raad op dat ook bij op zichzelf niet te genezen aandoeningen, de functionele mogelijkheden door middel van therapie, pijnbestrijding en hulpmiddelen kunnen worden verbeterd (zie de uitspraak van de Raad van 20 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4711).


4.6.

Tot slot overweegt de Raad het volgende. Het Uwv heeft in het besluit van 7 november 2012 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 35 tot 80% bedraagt, hetgeen betekent dat er een inkomenseis geldt. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 80 tot 100%, hetgeen gevolgen heeft voor de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 15 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1) is de Raad van oordeel dat, wanneer in de bezwaarfase het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt en er daarmee een wijziging in de resterende verdiencapaciteit ontstaat, dit een wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft. Dit betekent dat er sprake is van een herroepen besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat het Uwv ten onrechte het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 november 2012 ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden en dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard.


5. Uit hetgeen is overwogen in 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.


6. Er bestaat derhalve aanleiding om het Uwv te veroordelen in de (proces)kosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, totaal € 2.940,-. De voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten bedragen €4,40 in beroep en €4,40 in hoger beroep, totaal €8,80. Voor een vergoeding van andere kosten bestaat gelet op de bepalingen van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aanleiding.
























BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 april 2013;
  • - herroept het besluit van 7 november 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 22 april 2013;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.948,80;
  • - bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2015.




(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) P. Uijtdewillegen




NK