Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 14-341 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1271

Inhoudsindicatie
Weigering bijstand. Periode 1) Overschrijding vermogensgrens. Periode 2) Onbestreden is dat in de tweede periode de vader alle vaste lasten van de Volkswagen voldeed. Het college heeft over het feitelijk gebruik in deze tweede periode niets vastgesteld. De Raad bepaalt dat betrokkene recht op bijstand heeft.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
14-341 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/341 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 december 2013, 13/2821 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Partijen zijn opgeroepen. Voor appellant is verschenen E. van Schijndel. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Jacquemard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene heeft zich op 6 september 2012 gemeld voor het doen van een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande en deze aanvraag op 15 oktober 2012 ondertekend en ingediend. Ten tijde van de melding was op naam van betrokkene een auto geregistreerd, merk Skoda (Skoda). De koopprijs voor deze auto bedroeg in oktober 2011 € 5.750,-. Betrokkene heeft daartoe een andere auto ingeruild, € 2.500,- gefinancierd en € 2.000,- aanbetaald, waarvan € 500,- geleend was van haar vader, [vader] (vader).


1.2.

Volgens een daarvan opgesteld factuur heeft Autobedrijf [autobedrijf] (autobedrijf) op 1 oktober 2012 aan betrokkene verkocht en geleverd een nieuwe Volkswagen Up (Volkswagen) voor de prijs van € 12.000,-. Van betrokkene kocht het autobedrijf tegelijkertijd in de Skoda voor een prijs van € 3.000,-. De vader heeft op 27 september 2012 het restant van de koopprijs aan het autobedrijf voldaan en hij heeft ook de financiering van de Skoda afgelost. Uit de gegevens van de Dienst Wegverkeer blijkt dat de Skoda tot

4 oktober 2012 op naam van betrokkene heeft gestaan en dat de Volkswagen van

29 september 2012 tot 1 oktober 2012 op naam van betrokkene heeft gestaan. Vanaf die laatste datum is de Volkswagen op naam van de vader geregistreerd. Op 13 oktober 2012 heeft de verkoper van het autobedrijf aan de vader per emailbericht het volgende geschreven: “Zoals telefonisch met u besproken hierbij de verklaring waarom de nieuwe auto op naam van uw dochter is gezet. Doordat de oude auto ook op haar naam stond waren wij verplicht de nieuwe auto ook op haar naam te zetten. Als we dit niet hadden gedaan dan waren we de inruilbonus op de nieuwe auto hiervoor misgelopen.”


1.3.

Bij besluit van 26 oktober 2012 heeft appellant de aanvraag om bijstand van

15 oktober 2012 afgewezen op de grond dat betrokkene beschikt over een groter dan het voor haar vrij te laten vermogen.


1.4.

Bij besluit van 5 april 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2012 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat het vermogen van betrokkene bij melding lager was dan de grens van het voor haar vrij te laten vermogen. Daarbij is appellant uitgegaan van een banksaldo van € 5.018,53 plus de waarde van de Skoda, te weten € 3.000,- verminderd met de gefinancierde schuld tot een bedrag van € 2.500,-. Betrokkene heeft dus vanaf de meldingsdatum recht op bijstand. De aflossing van de financiering door de vader heeft appellant als gift gekwalificeerd. Na aftrek van het jaarlijks vrij te laten bedrag aan giften komt het vermogen van betrokkene daarmee op 27 september 2012 boven evenbedoelde grens en moet de bijstand worden ingetrokken. Op 29 september 2012 neemt het vermogen van betrokkene met € 9.000,- toe door de inruil van de Skoda voor de Volkswagen. Appellant heeft de betalingen van de vader bij aanschaf van de Skoda tot een bedrag van € 500,- en van € 2.500,- om de gefinancierde schuld af te lossen niet willen aanmerken als leningen aan betrokkene. Appellant is betrokkene ook niet gevolgd in haar stelling dat de Volkswagen niet tot haar, maar tot het vermogen van de vader behoort.


1.5.

Appellant heeft aan betrokkene na een daartoe door haar ingediende aanvraag met ingang van 19 februari 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 26 oktober 2012 herroepen en bepaald dat betrokkene vanaf 6 september 2012 recht op bijstand heeft naar de voor haar geldende norm. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant vanaf 6 september 2012 het vermogen van betrokkene onjuist heeft vastgesteld. De rechtbank ziet de aflossing van de financiering en de inruil van de Skoda voor € 3.000,- als een verkoop tegen aflossing van de financiering tot een bedrag van € 2.500,- en de lening van € 500,-. Het vermogen van betrokkene is dus op

6 september 2012 € 500,- lager en neemt niet toe door een schenking. De tenaamstelling van de Volkswagen verandert hier niets in. De rechtbank is van oordeel dat deze auto niet behoort tot het vermogen van betrokkene gelet op de omstandigheden rondom de aankoop van deze auto en de omstandigheid dat appellant over een latere periode ook niet heeft aangenomen dat de Volkswagen tot het vermogen van betrokkene behoort.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien en betrokkene recht op bijstand heeft toegekend voor zover het de periode vanaf 29 september 2012 betreft. Hij betoogt dat de Volkswagen wel behoort tot het vermogen van betrokkene. Haar Skoda is ingeruild en de factuur stond op haar naam. De Volkswagen is op haar naam gezet. Zij kon daarover exclusief beschikken en dat is niet veranderd doordat die auto op naam van de vader is gesteld. Betrokkene had verklaard dat de vader de Volkswagen voor alle kinderen had gekocht. Alle andere kinderen met een rijbewijs beschikten over een eigen auto; betrokkene is de feitelijke gebruikster van de Volkswagen. Voor dit laatste verwijst appellant naar waarnemingen eind januari en begin februari 2013 waarbij bleek dat de Volkswagen vrijwel uitsluitend voor de woning van betrokkene stond.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Volkswagen in de hier te beoordelen periode van

29 september 2012 tot en met 26 oktober 2012, de datum van de aanvankelijke afwijzing van bijstand, behoorde tot het vermogen van betrokkene en daarmee over die periode (te beoordelen periode) in de weg stond aan bijstandsverlening.


4.2.

Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.3.

Gelet hierop en de gewijzigde tenaamstelling van de Volkswagen per 1 oktober 2012 bestaat aanleiding om onderscheid te maken tussen de periode van 29 tot en met

30 september 2012 (eerste periode) en de periode van 1 tot en met 26 oktober 2012 (tweede periode).


4.4.

Met de onder 1 vermelde omstandigheden rondom de koop en levering van de Volkswagen heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat in weerwil van de onder 4.2 genoemde vooronderstelling, de Volkswagen in de eerste periode niet tot haar, maar tot het vermogen van haar vader behoorde. De omstandigheid dat haar vader het overgrote deel van de geldmiddelen voor de transactie verschaft heeft, is daartoe onvoldoende. Hierbij is van belang dat de ingeruilde Skoda een jaar eerder voor een aanmerkelijk hogere prijs is gekocht dan als inruilwaarde bij de transactie is betrokken, dat de transactie zonder de Skoda, die tot het vermogen van betrokkene behoorde, niet of niet tegen deze gunstige voorwaarden had kunnen plaatsvinden en dat de factuur op naam van betrokkene is gesteld. Bovendien had betrokkene in de eerste periode onbetwist de feitelijke beschikking over de Volkswagen. Daaraan doet niet af dat appellant over een latere periode de Volkswagen niet tot het vermogen van betrokkene heeft gerekend. Toen was immers de tenaamstelling van het kenteken veranderd. In zoverre slaagt het hoger beroep.


4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2933) geldt de onder 4.3 genoemde vooronderstelling evenzeer in een geval als hier in de tweede periode aan de orde, waarin een auto geregistreerd staat op naam van een ander dan de bijstandsgerechtigde. Het is dan aan het bijstandverlenend orgaan om aannemelijk te maken dat de bijstandsgerechtigde over die auto kan beschikken, in de zin dat hij het gebruik of de (verkoop-)waarde daarvan kan aanwenden tot bestrijding van de noodzakelijke kosten van het bestaan.


4.6.

Daarin is appellant niet geslaagd. Onbestreden is dat in de tweede periode de vader alle vaste lasten van de Volkswagen voldeed. Appellant heeft over het feitelijk gebruik in deze tweede periode niets vastgesteld. Zijn waarnemingen hebben immers betrekking op een periode buiten de te beoordelen periode. Dat de Volkswagen kort voor de tweede periode wel gedurende twee dagen tot het vermogen van betrokkene moet worden gerekend, maakt dat niet anders. Hiertoe is mede van belang dat in de tweede periode het kenteken op naam is gezet van degene, uit wiens vermogen het overgrote deel van de middelen is gekomen waarmee de Volkswagen verworven is. Verder heeft appellant geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die weerlegging van de onder 4.5 bedoelde vooronderstelling rechtvaardigen. In zoverre faalt het hoger beroep.


4.7.

Uit 4.4 en 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt, doch slechts voor de eerste periode. Dit betekent dat betrokkene in de eerste periode geen recht heeft op bijstand wegens een groter dan het voor haar vrij te laten vermogen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.8.

Aansluitend staat, met het oog op definitieve geschillenbeslechting, te bezien welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden. Nu de vermogensvaststelling in de te beoordelen periode, die de rechtbank gemaakt heeft, in hoger beroep niet is aangevochten en appellant ter zitting ook geen voornemen heeft kenbaar gemaakt om consequenties te verbinden aan de eventuele vermogensverschuivingen die het gevolg zijn van de gewijzigde tenaamstellingen, kan de Raad de zaak zelf afdoen door vast te stellen dat betrokkene in de tweede periode, zoals de rechtbank haar heeft toegekend, recht op bijstand heeft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak alleen voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover de rechtbank, zelf voorziende, betrokkene recht op bijstand heeft toegekend over de eerste periode. De Raad zal dit in zijn dictum herstellen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij betrokkene bijstand

heeft toegekend met ingang van 6 september 2012;

- bepaalt dat betrokkene recht op bijstand heeft van 6 september 2012 tot en met

28 september 2012 en met ingang van 1 oktober 2012;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD