Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 14-1282 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1278

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Periode 1) Aanspraak op 1/3 deel van appartement. Aanspraak op middelen. Op het moment dat het appartement is verkocht, heeft appellante het door haar ontvangen bedrag bovendien zonder aflossing van enige schuld voor haar eigen doelen kunnen aanwenden. Vanaf 15 februari 2012 was daarom sprake van € 151.946,29 aan in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend. Het college kon aan de genoemde bepaling de bevoegdheid ontlenen om tot terugvordering over te gaan. Periode 2) Schending inlichtingenverplichting. Niet aannemelijk dat appellante door haar emotionele toestand niet eerder dan in juli 2012 in staat was het college op de hoogte te stellen van het door haar ontvangen bedrag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
14-1282 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/106
Uitspraak

14/1282 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 januari 2014, 13/1735 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (Ierland) (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, als rechtsopvolger van Boarnsterhim (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Namens appellante is

mr. Van Wieren verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Boonstra.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft van 1 april 2000 tot 5 juni 2000, van 26 oktober 2005 tot 1 juli 2006 en vanaf 2 oktober 2007 bijstand ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand is toegekend onder toepassing van artikel 82, onder a, van de Algemene bijstandswet, onderscheidenlijk artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in verband met het feit dat appellante samen met haar twee zussen een appartement aan de [adres] (appartement) bezit waarover zij nog niet kan beschikken zolang haar moeder in leven is.


1.2.

Naar aanleiding van de mededeling van appellante op een heronderzoekformulier, door haar ondertekend op 6 juli 2012, dat zij met ingang van 31 mei 2012 eigenaar is van onroerend goed in Ierland met een geschatte waarde van € 170.000,-, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn gegevens bij appellante opgevraagd en is zij verhoord. Uit het onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat het appartement op 15 februari 2012 is verkocht voor een koopsom van € 465.000,- en dat op 16 februari 2012 een bedrag van € 151.946,29 is bijgeschreven op de bankrekening van appellante, welk bedrag appellante direct daarna heeft doorgestort aan [bedrijf]. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de Sociale Recherche Fryslân van 16 augustus 2012 (sociale recherche).


1.3.

Hangende het onderzoek heeft het college bij besluit van 19 juli 2012 (besluit 1) het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2012 opgeschort.


1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

26 september 2012 (besluit 2) de bijstand van appellante met ingang van 16 februari 2012 in te trekken en de over de periode van 2 oktober 2007 tot 1 juli 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 70.814,21 van appellante terug te vorderen.


1.5.

Bij besluit van 29 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 16 februari 2012 niet aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan door niet onverwijld mededeling te doen van de ontvangst van een bedrag van € 151.946,29 op haar bankrekening. Door de ontvangst van dit bedrag beschikte appellante met ingang van die datum over een te hoog vermogen om nog langer voor bijstand in aanmerking te komen. De bijstand is daarom met ingang van 16 februari 2012 ingetrokken en de over de periode van 16 februari 2012 tot 1 juli 2012 gemaakte kosten van bijstand zijn op die grond van appellante teruggevorderd. Over de periode van 2 oktober 2007 tot 16 februari 2012 worden de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd omdat appellante bijstand was verleend in afwachting van het vrijkomen van middelen waarover zij niet eerder kon beschikken. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB geeft voor die gevallen een bevoegdheid tot terugvordering vanaf het moment dat achteraf alsnog over die middelen kan worden beschikt.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 16 februari 2012 en tot terugvordering over de periode van 16 februari 2012 tot 1 juli 2012 op de grond dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden waardoor zij geen recht meer had op bijstand. Door die schending van de inlichtingenverplichting heeft het college het recht op bijstand ook in redelijkheid met ingang van 1 juli 2012 kunnen opschorten. Over de periode van 2 oktober 2007 tot 16 februari 2012 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand kunnen terugvorderen op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, nu over de periode waarover bijstand is verstrekt aanspraak bestond op een erfdeel waarover appellante niet eerder kon beschikken in verband met het vruchtgebruik dat daarop rustte ten gunste van de moeder van appellante.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Periode van 2 oktober 2007 tot 16 februari 2012


4.1.

Artikel 58, tweede (tot 1 januari 2013: eerste) lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die bijstand heeft verleend de kosten van bijstand kan terugvorderen, voorzover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 van de WWB beschikt of kan beschikken. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen is deze bepaling de meest geëigende terugvorderingsgrond in gevallen waarin bijstand is verleend ter overbrugging van een periode waarin aanspraken op bepaalde middelen aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt en de betrokkene nadien wel over die middelen kan beschikken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1835).


4.2.

Appellante heeft niet betwist dat zij over de periode van 2 oktober 2007 tot aan de verkoop van het appartement aanspraak kon maken op 1/3 deel van het appartement. Het gaat hier om een aanspraak op middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB.


4.3.

De Raad is voorts, met het college en anders dan appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, van oordeel dat appellante in feite nog niet over die middelen kon beschikken. Van appellante kon immers niet in redelijkheid worden verlangd dat zij haar aanspraken (onmiddellijk) te gelde zou maken teneinde de opbrengst ervan te gebruiken voor de bestrijding van de noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarbij is van belang dat appellante in het verleden ten opzichte van het college consistent heeft verklaard het appartement niet te kunnen verkopen zolang haar moeder nog leefde, wat ook tot uitdrukking is gebracht in de toekenningsbesluiten van 11 april 2000, 23 november 2005 en 1 november 2007. Zo heeft appellante bij haar aanvraag om bijstand in 2000 op het aanvraagformulier vermeld 1/3 deel van een woning te bezitten dat pas vrijkomt bij het overlijden van haar moeder. Ook bij haar aanvraag om bijstand in 2005 heeft appellante verklaard dat zij met twee zussen een pand in Amsterdam bezit, maar dat ze daar nog niet aan kan komen zolang haar moeder nog leeft. Bij haar aanvraag om bijstand in 2007 heeft appellante wederom verklaard dat zij nog niet over het vermogen kan beschikken aangezien haar moeder het vruchtgebruik langstlevende heeft. Deze verklaringen vinden steun in de door appellante overgelegde “Overeenkomst inzake appartement [adres]”. In deze overeenkomst, die door appellante en haar zussen is ondertekend, verklaren de zussen te zijn overeengekomen dat het appartement alleen met goedkeuring van de zussen en de moeder kan worden verkocht, met als aanvullende voorwaarde dat de moeder schriftelijk haar toestemming zal moeten verlenen. Voorts is daarin opgenomen dat de zussen elkaar op geen enkele wijze mogen dwingen tot verkoop van het appartement. Dat de handtekening van de moeder op deze overeenkomst ontbreekt, doet er niet aan af dat de gemaakte afspraken in dit document duidelijk worden weergegeven en dat in ieder geval de drie zussen zich daar wel schriftelijk aan hebben verbonden. Voorts blijkt uit de gang van zaken rond de verkoop van het appartement eind 2011/begin 2012 dat bij de verkoop van het appartement ook in overeenstemming met deze afspraken is gehandeld en dus pas na schriftelijke toestemming van de moeder tot verkoop is overgegaan. Tot slot wordt in dit verband waarde gehecht aan de ondertekende verklaring van appellante ten overstaan van de sociale recherche, waarbij zij ook heeft verklaard dat zij niet de beschikking had over het appartement omdat haar moeder over het vruchtgebruik en de economische eigendom beschikte.


4.4.

Vast staat voorts dat appellante op 15 februari 2012 ter zake van de verkoop van het appartement aan derden de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 151.946,29. Anders dan appellante en met het college wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat rekening te houden met de gestelde schuld van appellante op haar moeder die hier tegenover zou staan. Appellante heeft over deze schuld aangevoerd dat het appartement door de zussen is aangekocht met geld van haar moeder en dat uit dien hoofde op dat moment ook een schuld van appellante op haar moeder is ontstaan. Schulden in het kader van de toepassing van de WWB kunnen uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:471). Appellante heeft dit met de “Onderhandse akte houdende vaststelling geldleningsovereenkomst” niet aannemelijk gemaakt. Uit deze akte blijkt niet dat de geldlening betrekking heeft op het appartement. Voorts wordt in de akte een deel van de schuld kwijtgescholden. Voor zover wel moet worden aangenomen dat de schuld betrekking heeft op het appartement, moet dit volgen uit de in 4.3 genoemde “Overeenkomst inzake appartement [adres]”. In deze overeenkomst is echter opgenomen dat de lening van de moeder aan de dochters niet zal worden ingevorderd gedurende de periode dat het pand gemeenschappelijk eigendom is. Op het moment dat het appartement is verkocht, heeft appellante het door haar ontvangen bedrag bovendien zonder aflossing van enige schuld voor haar eigen doelen kunnen aanwenden. Vanaf 15 februari 2012 was daarom sprake van € 151.946,29 aan in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend. Hieruit vloeit voort dat, anders dan appellante in hoger beroep heeft gesteld, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college aan de genoemde bepaling de bevoegdheid kon ontlenen om tot terugvordering over te gaan.


4.5.

Gelet op hetgeen in 4.3 en 4.4 is overwogen, is niet relevant dat appellante uit hoofde van de erfenis van haar op 8 april 1989 overleden vader slechts recht had op een kindsdeel ter hoogte van (omgerekend) € 26.591,- en of het appartement op 1 juli 1993 is aangekocht met gebruik van die middelen waarop vruchtgebruik van de moeder rustte. De hierop betrekking hebbende gronden van appellante kunnen dan ook evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.


4.6.

Voor zover de rechtbank bij de aangevallen uitspraak haar oordeel heeft gebaseerd op achteraf in aanmerking te nemen middelen bestaande uit een erfdeel van appellante en niet uit haar aandeel in het appartement, vormt dit geen aanleiding om op alleen die grond de aangevallen uitspraak te vernietigen. De door de rechtbank getrokken conclusie dat op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB tot terugvordering kon worden overgegaan, kan immers in rechte stand houden. Nu het college terecht aanvoert dat in het bestreden besluit met nadruk is overwogen dat de terugvordering over deze periode ziet op het vrijgekomen vermogensbestanddeel in het appartement, welk vermogen los staat van de erfenis, is appellante bovendien niet in haar belangen geschaad door de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het vermogen van appellante gebonden in een erfdeel van de erfenis van haar vader.


Periode van 16 februari 2012 tot 1 juli 2012


4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat zij haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden door pas op 6 juli 2012 met de invulling van een heronderzoekformulier melding te maken van haar toegenomen vermogen. Zij stelt dat zij emotioneel alle zeilen moest bijzetten en daarom niet in staat was melding te maken van het ontvangen bedrag uit de verkoop van het appartement. In de periode vanaf 16 februari 2012 had zij als de enige in Nederland wonende dochter de zorg over haar zieke moeder en moest zij haar begrafenis regelen. Daarnaast had zij zorgen over haar dochter die aangegrepen was door het overlijden van haar oma en eindexamen moest doen. Dit betoog slaagt niet. Appellante is op 16 februari 2012 wel in staat gebleken haar belangen inzake de aankoop van een onroerende zaak in Ierland te behartigen door het door haar ontvangen bedrag van € 151.946,29 door te storten naar een Ierse “solicitor”. Volgens haar eigen verklaring is op 31 mei 2012 vervolgens het eigendom van de onroerende zaak in Ierland aan haar overgedragen. Tegen die achtergrond is niet aannemelijk dat appellante door haar emotionele toestand niet eerder dan in juli 2012 in staat was het college op de hoogte te stellen van het door haar ontvangen bedrag. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college was daarom bevoegd het recht op bijstand met ingang van 16 februari 2012 in te trekken. Tegen de terugvordering over deze periode heeft appellante geen zelfstandige gronden ingediend.


4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop die berust, zal worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en E.C.R. Schut en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C.M. Fleuren





HD