Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 13-4036 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1280

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijstand. De door appellante verstrekte gegevens over haar financiële situatie zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen of, en zo ja in welke mate, appellante in bijstandhoevende omstandigheden verkeerde.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
13-4036 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4036 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2013, 13/1472 en 13/2370 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Himdi en

R. Timmermans.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en overwegingen.


1.1.

Appellante heeft, met onderbrekingen, van 15 mei 2000 tot 28 februari 2007 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Aansluitend heeft appellante tot 31 juli 2008 inkomsten uit arbeid genoten. In 2010 heeft appellante zich gemeld om bijstand aan te vragen. Deze melding is niet uitgemond in een aanvraag. Op 14 september 2012 heeft appellante zich opnieuw gemeld bij het Uwv werkbedrijf om bijstand aan te vragen. Op 12 oktober 2012 heeft appellante de aanvraag ingediend. Appellante heeft daarbij opgegeven dat zij bijstand aanvraagt omdat zij in 2008 is ontslagen en heeft gesolliciteerd, maar niet is aangenomen, en nu geen inkomsten heeft. Zij heeft geleefd van oppassen op nichtjes en neven, leningen van familieleden en schoonmaakwerk. Zij zit nu in de schulden, zodat zij haar huis niet meer kan onderhouden. Appellante heeft opgegeven een bedrag van € 17.000,- aan schulden te hebben.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft de afdeling Werk Inkomen en Zorg van de gemeente Lelystad een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie en de financiële situatie van appellante. In dat kader heeft onder meer op 12 oktober 2012 een gesprek met appellante plaatsgevonden en is op 16 november 2012 een huisbezoek aan de woning van appellante gebracht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 november 2012.


1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van

20 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 april 2013 (bestreden besluit), de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is vast te stellen of appellante ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellante heeft niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt over onvoldoende middelen te beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Daarnaast heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden door meermalen foutieve dan wel incomplete verklaringen af te leggen tijdens het onderzoek naar haar recht op bijstand.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode is van 14 september 2012, de datum waarop appellante zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 20 november 2012, de datum van het afwijzingsbesluit.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 1 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2010:BP7041) rust de bewijslast ter zake van bijstandbehoevendheid bij aanvragen van bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. In dat kader dient de aanvrager duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Desgevraagd zal de aanvrager een en ander moeten staven met schriftelijke bescheiden, zo nodig (ook) over een periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB levert een rechtsgrond op voor weigering van de bijstand indien door schending van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

Appellante voert aan dat het college een veel te lange periode hanteert om te beoordelen hoe zij voorafgaand aan de aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, gelet op de omstandigheid dat appellante vanaf augustus 2008 geen reguliere bron van inkomsten meer had, het college van appellante kon vragen te laten zien hoe zij vanaf dat moment in haar levensonderhoud en dat van haar vier kinderen heeft voorzien en wat er ten tijde van de aanvraag in die situatie was veranderd.


4.4.

Appellante bestrijdt voorts dat zij niet heeft aangetoond dat zij ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat zij voorafgaand aan de aanvraag leefde van wisselende, niet vaste werkzaamheden en dat zij, omdat deze onvoldoende waren, een aanzienlijke schuldenlast heeft opgebouwd. Deze beroepsgrond slaagt evenmin, gelet op de navolgende overwegingen.


4.4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd in antwoord op de vraag waarvan zij heeft geleefd in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Zo heeft appellante, in afwijking van wat zij bij haar aanvraag heeft opgegeven, tijdens het gesprek op 12 oktober 2012 verklaard dat zij vanaf augustus 2008 leefde van zwarte werkzaamheden, het bakken van koekjes, het doorverkopen van kleding en spullen van de Action en van toegekende bedragen van de Belastingdienst, en dat zij voor het oppassen geen inkomsten heeft ontvangen maar in plaats daarvan kleding voor de kinderen. Bij het huisbezoek heeft appellante vervolgens verklaard dat zij vanaf februari 2012 geen bedragen van de Belastingdienst meer heeft ontvangen en dat zij wel geld voor het oppassen heeft ontvangen. Tijdens de hoorzitting heeft appellante verklaard dat zij artikelen heeft ontvreemd en verkocht. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft appellante weer ontkend geld te hebben verdiend door kleren te verkopen.


4.4.2.

Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag een bedrag van € 17.000,- aan schulden heeft opgebouwd, zoals zij bij haar aanvraag heeft opgegeven. De schriftelijke gegevens die appellante daarvoor heeft aangedragen, zien slechts op een beperkt deel van dat bedrag en bieden, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, geen uitsluitsel over het moment van ontstaan van de desbetreffende schulden en over de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, deze schulden ten tijde van de aanvraag dan wel de onderhavige besluitvorming nog openstonden. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat aan de door [naam] verstrekte lening voor het voldoen van een dreigende huurschuld, een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.


4.4.3.

Ten slotte valt niet in te zien waarom, zoals appellante heeft gesteld, het college geen betekenis mocht hechten aan het feit dat begin 2012 in de woning van appellante een hennepkwekerij is aangetroffen en ontmanteld. Dat door de politie is vastgesteld dat uit deze kwekerij geen wederrechtelijk voordeel is genoten, maakt dat niet anders, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt.


4.5.

Uit 4.3 tot en met 4.4.3 volgt dat de door appellante verstrekte gegevens over haar financiële situatie onvoldoende zijn om te kunnen vaststellen of, en zo ja in welke mate, appellante in bijstandhoevende omstandigheden verkeerde. Dit betekent dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.


4.6.

De beroepsgrond dat ten onrechte niet is beslist op het (subsidiaire) bezwaar ten aanzien van het bestaan van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de WWB slaagt niet. De aanvraag van appellante is afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarmee is in dit geval niet vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat op grond van het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 15 van de WWB, zodat artikel 16, eerste lid, van de WWB al daarom toepassing mist. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 30 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BH0396 en 27 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2381. Gelet hierop hebben het college en de rechtbank terecht de vraag of in het geval van appellante mogelijk zeer dringende redenen noodzaakten tot bijstandsverlening niet bij hun beoordeling betrokken.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en E.C.R. Schut en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C.M. Fleuren





MK