Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 14-136 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1281

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Schending inlichtingenplicht. Appellante heeft gemiddeld eenmaal in de twee weken op rommelmarkten achter een door haar moeder gehuurde kraam gestaan en haar moeder geholpen bij de verkoop van diverse goederen. Op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Appellante heeft met betrekking tot de verkoop van goederen op rommelmarkten immers geen enkel objectief verifieerbaar gegeven overgelegd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
14-136 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/136 WWB, 14/137 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 november 2013, 12/1884 en 12/1885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.M. Kools, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kools. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J. Rijkers.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante ontving sinds 16 december 1996 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Haar - wisselende - inkomsten uit werkzaamheden als taxichauffeur werden in mindering gebracht op de bijstand.


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante regelmatig op rommelmarkten staat en nadat op twee rommelmarkten door een medewerker van de gemeente Eindhoven is waargenomen dat appellante achter een kraam spullen verkoopt, heeft het team Bijzonder Onderzoek van de gemeente Eindhoven (team BO) een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd en is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 8 juni 2011. Tijdens dit gesprek heeft appellante verklaard dat zij sinds vier à vijf jaar eenmaal in de twee weken op rommelmarkten staat in Eindhoven en omstreken. Zij heeft verder verklaard dat haar moeder de kramen huurt en kleding en speelgoed verkoopt. Appellante helpt klanten en rekent af wat ze gekocht hebben. Zij helpt haar moeder en ontvangt daarvoor geen inkomsten. Appellante heeft dit alles niet aan de dienst gemeld, omdat zij het geen werk vindt. Aansluitend aan het gesprek hebben twee medewerkers van het team BO een huisbezoek afgelegd om te bezien of appellante, zoals zij zelf heeft verklaard, geen goederen voor de verkoop op rommelmarkten in haar woning had staan. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 28 juni 2011.


1.3.

Bij besluit van 28 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 1 juni 2011 opgeschort en is appellante in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vóór 12 juli 2011 een boekhouding van haar werkzaamheden op rommelmarkten vanaf 1 juni 2007 tot 28 juni 2011 over te leggen.


1.4.

Bij besluit van 4 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand met ingang van 1 juni 2011 ingetrokken. Het college heeft aan het bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellante activiteiten heeft verricht waarmee een opbrengst kan worden gerealiseerd die een waarde vertegenwoordigt in het economisch verkeer. Appellante had deze activiteiten moeten melden. Appellante heeft van deze activiteiten in het geheel geen boekhouding of administratie bijgehouden aan de hand waarvan vastgesteld kan worden wat de omzet dan wel de winst, de verrichte investeringen en/of inkomsten zijn geweest. Omdat appellante onvoldoende inlichtingen en gegevens heeft verstrekt, kan het recht op bijstand niet alsnog worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De in het kader van de intrekking van de bijstand te beoordelen periode loopt van 1 juni 2011 tot en met 4 augustus 2011 (te beoordelen periode).


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Vaststaat dat appellante in de te beoordelen periode gemiddeld eenmaal in de twee weken op rommelmarkten achter een door haar moeder gehuurde kraam heeft gestaan en haar moeder heeft geholpen bij de verkoop van diverse goederen. Het college heeft terecht vastgesteld dat dit op geld waardeerbare werkzaamheden zijn. De verkoop van goederen op rommelmarkten, zoals hier aan de orde, is immers gericht op het behalen van winst en moet daarom als in het economisch verkeer verrichte activiteit worden beschouwd. Dit geldt ook voor structurele hulp aan de kraamhouder, zoals appellante aan haar moeder heeft gegeven. Appellante heeft deze werkzaamheden niet gemeld. Naar het oordeel van de Raad had het appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze werkzaamheden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Zij had die werkzaamheden dan ook moeten melden bij het college. Zij heeft de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te doen. Of het om bedrijfsmatig verrichte of, zoals appellante heeft aangevoerd, bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten gaat, is voor de WWB geen relevant onderscheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466). De stelling dat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, slaagt gelet op het voorgaande niet.


4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de te beoordelen periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Appellante heeft met betrekking tot de verkoop van goederen op rommelmarkten immers geen enkel objectief verifieerbaar gegeven overgelegd. Aan de enkele verklaring van de moeder van appellante van 9 juli 2011 dat sprake is van een hobby die alleen geld kost, kan niet de waarde worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van

artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de te beoordelen periode in te trekken. Gelet daarop behoeven de gronden die betrekking hebben op het op 8 juni 2011 verrichte huisbezoek geen bespreking meer.


4.6.

Omdat appellante ter zitting van de Raad heeft meegedeeld de gronden tegen de opschorting niet te handhaven indien de intrekking van de bijstand stand houdt, behoeft ook de opschorting geen bespreking.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) R.G. van den Berg



HD