Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 14-657 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1286

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant ten onrechte geen melding heeft gemaakt van de opname van zijn moeder in een verzorgingstehuis op 5 juni 2007, het overlijden van zijn vader op 1 augustus 2007 en de omstandigheid dat hij per 1 augustus 2007 samen met zijn zusters de volledige beschikking had over de door zijn ouders geschonken woning en dat hij per die datum beschikte over een vermogen boven de vermogensgrens. Het betreft hier naderhand verkregen middelen, waarmee achteraf, gelet op het complementaire karakter van de WWB, rekening kan worden gehouden (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0853).
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-04-23
Zaaknummer
14-657 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/657 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2013, 13/4005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 21 april 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Diderich.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren [in] 1945, ontving vanaf 14 januari 1997 tot en met 31 juli 2010 bijstand, onder aftrek van inkomsten als freelancer, naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

In 1995 hebben de ouders van appellant hun woning aan appellant en zijn drie zusters geschonken en geleverd, onder het beding dat de ouders gedurende hun leven het recht van gebruik en bewoning van de woning hebben, uitsluitend voor henzelf of hun gezin. Tevens is in de schenkingsakte een verblijvensbeding opgenomen waarin onder meer is bepaald dat indien appellant of één van de drie zusters bijstandsbehoeftig wordt, het onverdeeld aandeel in de woning van deze persoon zonder vergoeding verblijft aan de overige deelgenoten. Omdat appellant ten tijde van de aanvraag om bijstand, vanwege het recht van gebruik en bewoning van de ouders, volgens het college niet over de woning kon beschikken, heeft het college de waarde van de woning niet tot het vermogen van appellant gerekend.


1.3.

De moeder van appellant is op 5 juni 2007 in een verzorgingshuis gaan wonen. De vader van appellant is op 1 augustus 2007 overleden en de moeder van appellant op 22 mei 2010. De woning is in 2008, aanvankelijk zonder succes, te koop gezet. De eigendom van de woning is op 27 augustus 2010 geleverd aan de nieuwe eigenaar. De netto-verkoopopbrengst van de woning bedroeg € 451.932,46. In oktober 2010 heeft de notaris die belast was met de verdeling van de boedel, waarvan onder meer nog een zomerhuis deel uitmaakte,

€ 107.787,81 aan appellant uitbetaald, waar het bedrag uit de verkoop van de woning was inbegrepen. Een bedrag van € 12.000,- per kind werd in depot gehouden ter betaling van successierechten.


1.4.

Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellant in 2010 over vermogen beschikte, heeft de sociale recherche van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is afgesloten op 8 januari 2013.


1.5.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 8 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2007 in te trekken en de over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 40.587,98 bruto van appellant terug te vorderen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant ten onrechte geen melding heeft gemaakt van de opname van zijn moeder in een verzorgingstehuis op 5 juni 2007, het overlijden van zijn vader op 1 augustus 2007 en de omstandigheid dat hij per 1 augustus 2007 samen met zijn zusters de volledige beschikking had over de door zijn ouders geschonken woning en dat hij per die datum beschikte over een vermogen boven de vermogensgrens.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en, voor zover hier van belang, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met betrekking tot de terugvordering in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep was gericht tegen het besluit tot terugvordering, dat het college, zoals ter zitting van de rechtbank was erkend, de terugvordering had moeten baseren op artikel 58, eerste (lees: tweede) lid, aanhef en onder f, van de WWB en dat het bestreden besluit om die reden wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht diende te worden vernietigd. Omdat de door appellant in oktober 2010 uit de verkoop van de woning ontvangen middelen toegerekend kunnen worden aan de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2010, waarover eerder bijstand is verleend, en deze middelen onbetwist hoger waren dan de over deze periode verleende bijstand, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe onder meer van belang geacht dat het erfdeel van de vader van appellant op 1 augustus 2007 opeisbaar werd, omdat de moeder van appellant in een verzorgingstehuis verbleef, en dat een beroep op het verblijvingsbeding niet opgaat omdat appellant in oktober 2010 de beschikking kreeg over zijn deel van de waarde van de woning.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtgevolgen van het bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering in stand zijn gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat de opbrengst die appellant uit de verkoop van de woning ontving niet - zoals de rechtbank heeft overwogen - deel uitmaakte van zijn erfdeel wegens het overlijden van zijn vader, maar voortkwam uit zijn mede-eigenaarschap van de woning.


4.2.1

Appellant heeft aangevoerd dat het overlijden van zijn vader op 1 augustus 2007 geen verandering in de eigendomsverhoudingen van de woning met zich bracht. Zijn moeder had immers het recht van gebruik en bewoning van de woning en daar is pas door haar overlijden op 22 mei 2010 een einde aan gekomen.


4.2.2.

De Raad deelt het standpunt van het college dat vanaf 1 augustus 2007 niet meer gesproken kan worden van een reëel te achten recht van gebruik en bewoning van één van de ouders van appellant. De vader is op 1 augustus 2007 overleden en de moeder was al sinds 5 juni 2007 ingeschreven in een verzorgingstehuis en is daar blijven wonen tot haar overlijden. Dat de woning qua constructie de mogelijkheid bood voor de moeder van appellant daar met verzorging te wonen, maakt, anders dan appellant betoogt, niet dat gesproken kan worden van een reëel te achten gebruiksrecht, nu appellant tevens heeft meegedeeld dat dit vanwege financiële belemmeringen niet rond te krijgen was.


4.3.

Appellant heeft, onder verwijzing naar het onderling met zijn zusters overeengekomen verblijvensbeding, aangevoerd dat hij, ten tijde dat hij bijstand ontving, geen aanspraak meer had op een kwart van de woning, zodat de naderhand door hem uit de woning verkregen middelen niet aan de bijstandsperiode toegerekend mogen worden. Deze beroepsgrond slaagt niet. De zusters van appellant hebben kennelijk geen beroep op het verblijvensbeding gedaan, nu immers appellant op gelijke wijze als zijn zusters heeft gedeeld in de opbrengst van de woning. Dit betekent dat hij achteraf gezien mede-eigenaar van de woning was gebleven. Het betreft hier dan ook, zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0853, terecht heeft overwogen, naderhand verkregen middelen, waarmee achteraf, gelet op het complementaire karakter van de WWB, rekening kan worden gehouden. Daarbij heeft het college, gelet op wat in 4.2.2 is overwogen,

1 augustus 2007 als aanvangsdatum van de terugvorderingsperiode kunnen nemen, aangezien de vier kinderen de woning vanaf dat moment in feite in volle eigendom hadden.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.C.F. Talman en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C. Moustaine





RH