Centrale Raad van Beroep, 17-04-2015 / 13-5792 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1297

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag WIA-uitkering met een verkorte wachttijd. De aanvraag van werknemer is ten onrechte niet vergezeld gegaan van een verklaring van de bedrijfsarts, als bedoeld in art. 66 lid 3 Wet WIA. Hiermee is niet voldaan aan de in de laatste zinsnede van art. 23, lid 6, Wet WIA gestelde voorwaarde voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van werknemer om in aanmerking te worden gebracht voor een IVA-uitkering verkorte wachttijd. De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en laat de aanvraag buiten behandeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
13-5792 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/5792 WIA

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

19 september 2013, 13/242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft W.V.R.A. van den Heuvel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN


1.1.

[werknemer] (werknemer), laatstelijk in dienst als onderhoudsschilder bij appellante, is op 14 maart 2011 uitgevallen wegens gezondheidsklachten van diverse aard. Bij besluit van 26 juni 2012 heeft het Uwv, met inachtneming van het advies van zijn verzekeringsarts, de aanvraag van werknemer om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA afgewezen. Het Uwv heeft aan deze afwijzing ten grondslag gelegd dat werknemer nog geen 104 weken ziek is en hij naar het oordeel van het Uwv niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is.


1.2.

Het door appellante tegen het besluit van 26 juni 2012 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 6 december 2012 (bestreden besluit). Het Uwv heeft in het bestreden besluit overwogen dat, hoewel de vereiste verklaring van de bedrijfsarts bij de aanvraag van werknemer ontbreekt, het Uwv de aanvraag van werknemer niettemin (onverplicht) in behandeling heeft genomen. Het Uwv heeft in het bestreden besluit verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin deze tot het oordeel komt dat er nog geen sprake is van een situatie waarbij verbetering is uitgesloten en er geen kans meer is op herstel.


2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen, kort weergegeven, dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv dat werknemer in de periode in geding niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was in de zin van de Wet WIA.


3. Appellante kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank en heeft daartegen diverse beroepsgronden aangevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv, op aanvraag van de verzekerde, een verkorte wachttijd vaststelt indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 66 van de Wet WIA in acht is genomen.


4.2.

Artikel 66 van de Wet WIA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:


(…)



3. Op verzoek van de werknemer verstrekt de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet, een verklaring waaruit de medische situatie alsmede de vooruitzichten van de werknemer blijken. De verklaring wordt mede opgesteld op basis van gegevens inzake de medische specialistische onderzoeken of behandelingen die de aanvrager heeft ondergaan, tenzij in redelijkheid niet van de bedrijfsarts kan worden gevergd dat hij deze gegevens aan zijn verklaring ten grondslag legt.

4. Een aanvraag voor een verkorte wachttijd gaat vergezeld van de verklaring, bedoeld in het derde lid.

5. Indien de aanvraag voor een verkorte wachttijd niet vergezeld gaat van een verklaring als bedoeld in het derde lid, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.


4.3.

De aanvraag van werknemer van 20 april 2012 om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA is niet vergezeld gegaan van een verklaring van de bedrijfsarts. Het Uwv heeft bij brief van 1 mei 2012 aan werknemer bericht dat de verklaring van de bedrijfsarts nodig is om de aanvraag te beoordelen en werknemer verzocht de verklaring alsnog in te zenden omdat de aanvraag anders niet in behandeling genomen kan worden. Geconstateerd moet worden dat vervolgens bij brief van 8 mei 2012 alleen een verklaring van een arbeidsdeskundige is ingestuurd.


4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat bij de aanvraag artikel 66 van de Wet WIA niet in acht is genomen. Daarmee is niet voldaan aan de in de laatste zinsnede van artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA gestelde voorwaarde voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van werknemer om in aanmerking te worden gebracht voor een IVA-uitkering verkorte wachttijd. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 6 december 2012 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen, het primaire besluit van 26 juni 2012 herroepen en de aanvraag van

20 april 2012 buiten behandeling laten.


5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden vastgesteld op € 980,- in beroep en op € 490,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 6 december 2012;
  • - herroept het besluit van 26 juni 2012;
  • - laat de aanvraag van 20 april 2012 buiten behandeling en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het besluit van 26 juni 2012;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1470,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 310,- en € 478,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) D. van Wijk





MK