Centrale Raad van Beroep, 15-04-2015 / 14-3666 WMO-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1301

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Naar het oordeel van de Raad heeft een zorgvuldig onderzoek in deze zaak niet plaatsgevonden. Tevens ontbreekt een gedegen analyse waarbij de kenmerken van de twee verschillende soorten handschoenen naast elkaar zijn gezet en waarbij de eigenschappen worden gewogen in het licht van de specifieke beperkingen en vervoersbehoefte van appellant. De Raad ziet aanleiding het college opdracht te geven het gebrek te herstellen teneinde te bepalen welk type rolstoelhandschoenen, en de levensduur daarvan, voor appellant gezien zijn beperkingen en zijn vervoersbehoefte als een compenserende voorziening kan gelden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-15
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
14-3666 WMO-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3666 WMO-T

Datum uitspraak: 15 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 mei 2014, 12/4613 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Vianen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hermsen. Tevens is verschenen de door appellant meegebrachte deskundige Q.J. de Valk, revalidatietechnisch adviseur bij revalidatiecentrum De Hoogstraat.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft een incomplete dwarslaesie en een beperkte handfunctie beiderzijds. Hij is vrijwel volledig rolstoelafhankelijk. In het verleden ontving appellant jaarlijks van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen twaalf paar rolstoelhandschoenen van het revalidatiecentrum De Hoogstraat.


1.2.

Bij besluit van 3 februari 2012 heeft het college de aanvraag van appellant om hem op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), twaalf paar rolstoelhandschoenen per jaar te verstrekken van revalidatiecentrum De Hoogstraat afgewezen. Het college heeft daarbij verwezen naar zijn eerdere besluit van

12 juli 2011 waarbij aan appellant één paar rolstoelhandschoenen met een langere levensduur van het merk Bewi-Techniek (Bewi) is verstrekt. De verstrekking van de rolstoelhandschoenen van Bewi, al dan niet in combinatie met een set hoepelhoezen, is de goedkoopst adequate voorziening om appellant in zijn beperkingen te compenseren.


1.3.

Bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college in de gelegenheid gesteld de rolstoelhandschoenen van Bewi voor te leggen aan een deskundige voor nader onderzoek. De resultaten van dit onderzoek, neergelegd in de brieven van het college van 13 augustus 2013 en 31 oktober 2013, en de hierop door appellant in zijn brieven van 2 september 2013 en 8 februari 2014 gegeven reactie heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken. Gelet hierop heeft de rechtbank overwogen dat het college veel inspanningen heeft geleverd om appellant tegemoet te komen, onder meer door voor appellant de

Bewi-handschoenen te laten maken naar het model van de eerder door De Hoogstraat verstrekte handschoenen en deze te voorzien van siliconenmateriaal alsmede door coating op de hoepels van de rolstoel te laten aanbrengen. De rechtbank is ook uit het door het college verrichte nadere onderzoek niet gebleken van een ongewenst groot verschil in de mate van grip tussen de handschoenen van De Hoogstraat en de handschoenen van Bewi. De door appellant ondanks diverse aanpassingen ervaren klachten over het verlies van grip, energieverlies bij het voortduwen van zichzelf en het achterblijven van strepen door de gecoate hoepels, zijn niet onderbouwd aan de hand van bijvoorbeeld (medisch) objectiveerbare stukken. Evenmin is voldoende duidelijk en concreet geworden op welke wijze appellant niet meer in zijn dagelijks handelen kan voorzien indien hij gebruik maakt van de handschoenen van Bewi. Het college heeft in voldoende mate voldaan aan zijn compensatieplicht op grond van de Wmo, aldus de rechtbank. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college bereid is aan appellant een persoonsgebonden budget te verlenen, zijnde een bedrag ineens waarmee appellant tweemaal per jaar rolstoelhandschoenen kan aanschaffen, gebaseerd op de prijs van Bewi-handschoenen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij zonder handschoenen, die voor hem geschikt zijn, zijn woning niet meer uit zal kunnen, dat hij geen boodschappen meer zal kunnen doen, dat hij geen sociale contacten meer zal kunnen bezoeken en dat hij niet in de maatschappij zal kunnen meedoen. Hierbij heeft appellant verwezen naar de verklaring van C.A. Dijkstra, revalidatiearts bij de Hoogstraat, van 24 juni 2014.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van

10 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG6612) vloeit uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voort dat het college, zijnde het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg moet dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Het is de taak van het college om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien, te inventariseren. Daarbij is het, gelet op artikel 4:2,

tweede lid, van de Awb aan de aanvrager om het college de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Revalidatiearts Dijkstra schrijft in haar verklaring onder meer dat de bij het bestreden besluit toegekende rolstoelhandschoenen niet adequaat genoeg zijn vanwege het zeer intensieve gebruik dat appellant daarvan maakt door zijn dwarslaesie.


4.3.

Appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hij is aangewezen op rolstoelhandschoenen van De Hoogstraat en dat hij deze ook ten tijde van de zitting droeg. De handschoenen van Bewi slijten minder dan die van De Hoogstraat, maar deze zijn niet stroef genoeg om zelfstandig dingen te doen. Omdat de handschoenen van Bewi minder grip hebben, kost het rijden met de rolstoel over drempels en ongelijk terrein hem veel meer energie. Valk heeft toegelicht dat appellant geen handfunctie heeft en dat hij vanuit zijn schouders rijdt. Appellant laat zijn handschoenen slippen langs de wielen. Iemand die meer kracht heeft dan appellant kan de hoepels vastpakken, terwijl appellant meer vraagt van de antislip van de handschoenen. Hoe stroever de handschoenen zijn, hoe harder deze slijten. Volgens Valk is er in het geval van appellant veel grip nodig en moet per geval de grens worden gevonden tussen veel grip en de kracht die iemand heeft. Bij revalidatiecentrum De Hoogstraat wordt bij het aanmeten van rolstoelhandschoenen door een behandelteam gekeken naar het algehele functioneren van iemand en wordt bepaald waar de grens moet liggen tussen veel grip en de kracht die iemand kan uitoefenen. Bij het gebruik van de Bewi rolstoelhandschoenen houdt appellant minder handfunctie over. De door appellant uit te oefenen lichte druk waar het college vanuit gaat kan net te veel gevraagd zijn. Voor appellant zal zijn dwarslaesie hetzelfde blijven. Hij kan niet meer kracht leveren dan hij nu doet. Appellant kan die kracht wel zetten, maar dat gaat ten koste van zijn functioneren.


4.4.

Het college heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat het zich door zijn medisch adviseur heeft laten adviseren over de mogelijkheden van appellant om een bepaalde kracht op de hoepel uit te oefenen. Uit de onder 2 genoemde brief van 31 oktober 2013 van het college over het verrichte nadere onderzoek komt naar voren dat de behandelend consulent, zijnde een gediplomeerd ergotherapeut, op 22 oktober 2013 een huisbezoek aan appellant heeft gebracht. Hierbij heeft de ergotherapeut zelf het gebruik van de handschoenen getest en appellant geobserveerd bij het rijden in de rolstoel met gebruik van de verschillende handschoenen. Volgens de ergotherapeut geven de handschoenen van Bewi bij het zetten van druk op de kussentjes een vergelijkbare wrijving op de hoepel en daarmee een vergelijkbare vertraging. Uit het gebruik van de rolstoel door appellant valt volgens de ergotherapeut geen ongewenst groot verschil waar te nemen bij toepassing van de verschillende handschoenen. Volgens de ergotherapeut is het verschil in krachtsinspanning bij het gebruik van de verschillende handschoenen niet objectiveerbaar. Hieruit heeft het college geconcludeerd dat appellant bij de slijtvastere, maar daardoor stuggere rolstoelhandschoenen van Bewi in staat is om zijn grip op de rolstoelwielen aan te passen, zonder daarbij hinder te ondervinden bij het gebruik van de rolstoel.


4.5.

Naar het oordeel van de Raad heeft een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 10 december 2008 in deze zaak niet plaatsgevonden. Na de aanpassing van de Bewi-handschoenen aan het model van De Hoogstraat en het aanbrengen van de coating op de hoepels heeft het college volstaan met het onder 4.4 genoemde huisbezoek door een ergotherapeut. Nader onderzoek door een (revalidatie)arts naar de geschiktheid van het slijtvastere materiaal van de Bewi-handschoenen op basis van de in kaart gebrachte vervoersbehoefte per rolstoel van appellant had daarbij niet mogen ontbreken. Appellant beroept zich immers op zijn door een fysieke aandoening beperkte kracht in zijn armen en handen en de gevolgen die dit heeft voor het type handschoenen dat hij nodig heeft bij het gebruik van zijn rolstoel. Ook had het op de weg van het college gelegen om het behandelend team van De Hoogstraat te raadplegen, nu zij bij uitstek ervaring hebben opgedaan met het aanmeten van rolstoelhandschoenen bij appellant. Tot slot ontbreekt een gedegen analyse waarbij de kenmerken van de twee verschillende soorten handschoenen naast elkaar zijn gezet en waarbij de eigenschappen worden gewogen in het licht van de specifieke beperkingen en vervoersbehoefte van appellant. Hierbij is van belang dat ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant gebruik maakt van een niet elektrische rolstoel met smartdrive.


4.6.

Wat onder 4.1 tot en met 4.5. is overwogen leidt ertoe dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.


4.7.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding het college opdracht te geven het in 4.5 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen teneinde te bepalen welk type rolstoelhandschoenen, en de levensduur daarvan, voor appellant gezien zijn beperkingen en zijn vervoersbehoefte als een compenserende voorziening kan gelden.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2015.




(getekend) M.F. Wagner




(getekend) W. de Braal




HD