Centrale Raad van Beroep, 23-04-2015 / 13-6644 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1303

Inhoudsindicatie
Geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van ongeschiktheid voor de functie van jobcoach. Evenmin kan dit worden afgeleid uit het rapport van de psycholoog. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van jobcoach anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen stand kan houden. Er is geen reden voor het oordeel dat betrokkene niet weer in de functie van jobcoach aan de slag zou kunnen gaan, zoals door hem gewenst. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkenes functie van jobcoach binnen de Diamant-groep is opgeheven dan wel het samenstel van werkzaamheden van die functie feitelijk is verdwenen. Betrokkene is ook niet boventallig verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-23
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
13-6644 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/6644 AW, 14/2736 AW

Datum uitspraak: 23 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2013, 13/1715 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de Diamant-groep (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 31 maart 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft hierop een reactie gegeven waarop appellant op 28 augustus 2014 heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A.M. van Gaal. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. van Os.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was sinds 1984 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) het openbaar lichaam de Diamant-groep. In 2007 en 2008 is betrokkene met burn-outverschijnselen uitgevallen voor zijn werk als jobcoach bij het Onderdeel Talent en Werk. Vanaf 1 oktober 2010 is betrokkene voor 0,6 fte bij [BV] gedetacheerd als praktijkdocent. Voor 0,4 fte bleef hij nog werkzaam als jobcoach. Het was de bedoeling dat hij per 1 januari 2011 de functie van praktijkdocent volledig zou gaan vervullen. Op 26 oktober 2010 is betrokkene uitgevallen als gevolg van werkgerelateerde psychische klachten.


1.2.

In het kader van zijn re-integratie is betrokkene per 1 mei 2011 geplaatst bij de Afdeling Arbeidsdiagnose van de [BV]. Op 15 juni 2011, 31 augustus 2011 en 20 oktober 2011 hebben gesprekken plaatsgevonden over zijn re-integratie. Ook heeft op 29 september 2011 een psychologisch onderzoek plaatsgehad. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat een terugkeer naar de functie van praktijkdocent binnen de praktijkschool als niet passend wordt beschouwd. Op 1 oktober 2011 is betrokkene weer arbeidsgeschikt bevonden. Bij brief van

28 november 2011 is de detachering bij [BV] met ingang van 1 december 2011 beëindigd.


1.3.

Bij brief van 29 november 2011 heeft appellant aan betrokkene laten weten dat er binnen de Diamant-groep geen geschikte functie aanwezig is waarin hij te werk kan worden gesteld. Tevens is meegedeeld dat appellant voornemens is betrokkene met ingang van 1 januari 2013 ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. Tot die tijd zal betrokkene in de gelegenheid worden gesteld om te re-integreren in een andere functie binnen of buiten de Diamant-groep.


1.4.

Bij besluit van 29 februari 2012, gehandhaafd na bezwaar bij het besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur betrokkene op grond van artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Tilburg (ART) per 15 maart 2013 ontslag verleend uit de functie van jobcoach.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - het volgende overwogen. Aan de orde is de vraag of betrokkene ongeschikt is voor de functie van jobcoach. Die ongeschiktheid heeft appellant gebaseerd op het rapport van het psychologisch onderzoek van 29 september 2011. Uit het onderzoek blijkt dat een functie als begeleider/coach onder voorwaarden een geschikte functie voor betrokkene wordt geacht. Een terugkeer in die functie is dan ook niet zonder meer uitgesloten. Dat die functie zou moeten worden uitgeoefend in een competitieve, commerciële en prestatiegerichte omgeving, zoals appellant dat stelt, blijkt niet uit het rapport. Het dossier geeft voorts geen onderbouwing voor het standpunt dat inspanningen van beide zijden niet hebben geleid tot een situatie dat betrokkene in staat was naar behoren te functioneren in de functie van jobcoach. Daarom wordt uitgegaan van de meer gedetailleerde en op dit punt onvoldoende gemotiveerd betwiste verklaring van betrokkene omtrent zijn feitelijke uitval. Daaruit blijkt dat betrokkene in ieder geval het jaar voor zijn detachering volledig inzetbaar en zonder uitval heeft gefunctioneerd als jobcoach. Niet blijkt dat dit niet naar behoren is geweest. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat betrokkene ongeschikt was voor de functie van jobcoach. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Voor zover appellant heeft gesteld dat er geen functies van jobcoach beschikbaar zijn, is de rechtbank van oordeel dat deze grond niet ter toetsing voorligt.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat betrokkene in het verleden meermalen vanwege spanningsklachten, door de ervaren hoge werkdruk, langere tijd is uitgevallen. In verband daarmee wilde betrokkene de functie van praktijkdocent niet langer verrichten. Daarom is afgesproken een psychologisch onderzoek te laten verrichten. De psycholoog heeft geconcludeerd dat terugkeer binnen de organisatie niet als passend kan worden beschouwd. Vastgesteld moet worden dat betrokkene door in de persoon gelegen omstandigheden bij het uitoefenen van de functie van jobcoach dan wel een vergelijkbare functie binnen een sterk prestatiegerichte werkomgeving wederom langdurig kan uitvallen. Betrokkene moet onvoldoende in staat worden geacht om de functie met de nodige continuïteit te vervullen. Ten onrechte is eraan voorbijgegaan dat betrokkene in 2007 en 2008 al langdurig in de functie van jobcoach is uitgevallen. Van volledig hervatten nadat betrokkene de tweede keer was uitgevallen, is geen sprake geweest. Ook is niet bij de overwegingen betrokken dat hij toen intensief is begeleid. De opmerking dat geen functie beschikbaar was, moet worden gezien tegen de achtergrond dat appellant als goed werkgever bij gebleken ongeschiktheid dient te onderzoeken of herplaatsing in een andere functie opportuun is. Ten onrechte heeft de rechtbank veel gewicht toegekend aan het advies om betrokkene te begeleiden bij terugkeer in de eigen functie. Er is geen sprake meer van een WSW-omgeving, maar van een zakelijke, commerciële en steeds veranderende organisatie.

Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.

Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 31 maart 2014 heeft appellant het ontslagbesluit van 29 februari 2012 ingetrokken en bepaald dat aan betrokkene met ingang van 15 maart 2013 ontslag op andere gronden is verleend vanwege de ontstane impasse in de arbeidsrelatie, waarin geen zicht meer bestaat op herstel van een vruchtbare samenwerking.

Betrokkene heeft zich ook tegen dit besluit gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Ongeschiktheidsontslag


4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU:1926) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.


4.2.

Het ongeschiktheidsontslag van betrokkene is, zoals ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellant nader is toegelicht, gebaseerd op het eerdere uitvallen van betrokkene in de functie van jobcoach, de verschillende gesprekken met betrokkene en de uitkomst van het psychologisch onderzoek. Dit tezamen heeft appellant tot de conclusie geleid dat betrokkene niet langer geschikt is voor de functie van jobcoach.


4.3.

De Raad volgt appellant daarin niet. Daarbij is van belang dat betrokkene voorafgaand aan de detachering tot praktijkdocent meer dan een jaar als jobcoach heeft gewerkt zonder enige uitval. Bovendien staat niet ter discussie dat hij die functie naar behoren heeft uitgevoerd. Dit betekent dat daarin geen aanwijzingen zijn gelegen dat sprake zou zijn van ongeschiktheid voor de functie van jobcoach. Evenmin kan dit worden afgeleid uit het rapport van de psycholoog. Daarin staat juist vermeld dat een functie als begeleider/coach geschikt is voor betrokkene, zij het dat daarbij voldaan moet worden aan bepaalde randvoorwaarden. Dat de functie van jobcoach voor betrokkene niet langer geschikt zou zijn omdat de werkomgeving van de Diamant-groep zakelijker en commerciëler zou zijn geworden, volgt de Raad niet, nu die stelling van appellant op geen enkele manier is onderbouwd.


4.4.

Met de rechtbank is de Raad daarom van oordeel dat het ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van jobcoach anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen stand kan houden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het hoger beroep van appellant slaagt niet.


Het nadere besluit: ontslag op andere gronden


4.5.

Met de nadere beslissing op bezwaar van 31 maart 2014, die de Raad met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling zal betrekken, is het ontslag per 15 maart 2013 gehandhaafd, met dien verstande dat aan dit ontslag ten grondslag is gelegd dat sprake is van een ontstane impasse in de arbeidsrelatie, waarin geen zicht bestaat op een herstel van een vruchtbare samenwerking.


4.6.

Appellant heeft aan die impasse ten grondslag gelegd dat het vertrouwen tussen betrokkene en het dagelijks bestuur onherstelbaar is verstoord. Daarbij komt volgens appellant dat er binnen de organisatie geen passende functies voor betrokkene aanwezig zijn. Gelet op deze impasse is er geen andere oplossing denkbaar dan een ontslag op grond van artikel 8:8 van de ART.


4.7.

De Raad volgt betrokkene in zijn standpunt dat geen sprake is van een impasse als gevolg waarvan geen sprake meer kan zijn van een vruchtbare samenwerking. Uit de gedingstukken blijkt niet dat ten tijde van de ontslagdatum dan wel ten tijde van de nieuwe beslissing op bewaar sprake was van een verstoorde verhouding tussen betrokkene en appellant. Dit is ook ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellant erkend.

Dat er geen passende functies meer voor betrokkene zouden zijn, rechtvaardigt evenmin een impasse-ontslag. Nu met deze uitspraak van de Raad vaststaat dat geen sprake is van ongeschiktheid voor de functie van jobcoach, is er geen reden voor het oordeel dat betrokkene niet weer in de functie van jobcoach aan de slag zou kunnen gaan, zoals door hem gewenst. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkenes functie van jobcoach binnen de Diamant-groep is opgeheven dan wel het samenstel van werkzaamheden van die functie feitelijk is verdwenen. Betrokkene is ook niet boventallig verklaard.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 31 maart 2014 gegrond moet worden verklaard en dit besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding om het ontslagbesluit van 29 februari 2012 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van dat besluit.


5. Ten slotte is er aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.470,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 29 februari 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 31 maart 2014;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.470,-.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) B. Rikhof



HD