Centrale Raad van Beroep, 23-04-2015 / 14-555 MAW


ECLI:NL:CRVB:2015:1304

Inhoudsindicatie
Omdat niet is komen vast te staan dat appellant verregaand nalatig is geweest in de vervulling van zijn plichten, was de minister niet bevoegd hem op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het AMAR ontslag te verlenen. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het ontslagbesluit van 8 augustus 2012 herroepen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-23
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
14-555 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/555 MAW

Datum uitspraak: 23 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2013, 13/717, 13/816 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. IJsendorn hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. IJsendorn. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. van der Weijden en mr. J.W. Walet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 28 januari 2002 in militaire dienst getreden. De aanstelling van appellant had als einddatum 30 juni 2014. Laatstelijk was appellant werkzaam bij het [onderdeel].


1.2.

Op 30 augustus 2010 heeft de Commandant Landstrijdkrachten appellant een ambtsbericht opgelegd vanwege het plegen van verscheidene strafbare feiten. Omdat appellant spijt had betuigd, hij te kennen had gegeven zich niet meer aan wangedrag schuldig te zullen maken en hij de veroorzaakte schade zou vergoeden, is besloten hem niet wegens wangedrag te ontslaan. Indien appellant zich in de toekomst weer aan enige vorm van wangedrag schuldig zou maken, diende hij er ernstig rekening mee te houden dat hij zou worden ontslagen.


1.3.

Op 21 juni 2011, 11 juli 2011 en 9 november 2011 zijn appellant krijgstuchtelijke geldboeten opgelegd van € 50,-, € 250,- en € 25,- wegens herhaalde ongeoorloofde afwezigheid en te laat op appel verschijnen.


1.4.

Op vrijdag 30 maart 2012 heeft appellant zich tijdens dienst wegens migraine bij de administrateur ziek gemeld. In overleg met de administrateur is appellant naar de legeringskamer gegaan om te rusten. Appellant is later op de dag, zonder dit te melden, naar huis gegaan. Nadat appellant niet op de legeringskamer was aangetroffen, is hij als ongeoorloofd afwezig aangemerkt. Op zaterdag 31 maart 2012, toen een relatiedag op de kazerne plaatsvond, en op maandag 2 april 2012 is appellant niet op het werk verschenen.


1.6.

Nadat appellant in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze te geven op een voordracht, heeft de minister hem bij besluit van 8 augustus 2012 met ingang van 15 augustus 2012 op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) ontslag verleend wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten.


1.7.

Bij besluit van 21 december 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het ontslagbesluit gehandhaafd. Aan het ontslag ligt ten grondslag dat appellant op 30 maart 2012 naar huis is gegaan zonder zich af te melden of zijn verblijfplaats door te geven. Daardoor heeft appellant zich ongeoorloofd onttrokken aan zijn dienstverplichtingen. Weliswaar is dit enkele feit niet zo ernstig dat dit tot ontslag zou moeten leiden, maar in combinatie met de eerdere ongeoorloofde afwezigheid is wel sprake van verregaande nalatigheid. Omdat appellant in 2010 een ambtsbericht wegens wangedrag is opgelegd, is ontslag gerechtvaardigd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is appellant op 30 maart 2012 zonder dit aan zijn leidinggevende te melden naar huis te gaan en valt dit aan te merken als ongeoorloofde afwezigheid. Hoewel dit op zichzelf niet ontslagwaardig is, hebben de eerdere gedragingen van appellant kunnen meewegen bij de beslissing hem te ontslaan. Omdat appellant een gewaarschuwd man was, had van hem mogen worden verwacht dat hij volgens de geldende regels bij ziekte zou handelen.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet ongeoorloofd afwezig was vanaf het moment dat hij de kazerne heeft verlaten. Hij heeft de kazerne pas na de diensttijd verlaten en is bereikbaar gebleven voor zijn leidinggevende. Volgens de minister is al tijdens de diensttijd geconstateerd dat appellant niet meer aanwezig was. Door niet te melden dat hij naar huis ging, heeft appellant niet gehandeld in overeenstemming met de Regeling ziek- en hersteldmelding defensiepersoneel (Regeling), volgens welke regeling de militair zijn verblijfadres dient door te geven.


4.2.

Hoewel appellant zich op 30 maart 2012 niet in overeenstemming met de Regeling bij zijn leidinggevende maar bij de administrateur heeft ziek gemeld, heeft de minister, zoals bevestigd ter zitting, deze ziekmelding als een afdoende ziekmelding geaccepteerd. Dat brengt mee dat niet van belang is op welk tijdstip appellant precies de kazerne heeft verlaten. Appellant heeft immers de kazerne verlaten op het moment dat hij ziek was, zodat dit vertrek niet leidt tot ongeoorloofde afwezigheid tijdens de dienst.


4.3.

Vast staat dat appellant de kazerne heeft verlaten zonder zijn gewijzigde verblijfplaats door te geven. Daarmee heeft hij gehandeld in strijd met - althans de strekking van - artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Het doorgeven van de verblijfplaats tijdens ziekte heeft tot doel de leidinggevende in de gelegenheid te stellen maatregelen te nemen of controle door de Arbo-dienst mogelijk te maken. Vastgesteld moet worden dat de leidinggevende van appellant in de ziekteperiode van 30 maart 2012 tot en met 2 april 2012 geen enkele poging heeft ondernomen contact met hem op te nemen, ook niet om hem te vragen naar zijn verblijfplaats. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister laten weten dat er geen behoefte bestond aan contact met appellant, omdat men “helemaal klaar met hem was”. Het niet doorgeven van zijn verblijfplaats heeft dus niet in de weg gestaan aan de controle van de ziekmelding of het nemen van maatregelen door de leidinggevende, omdat daaraan geen enkele behoefte bestond. De overtreding van de Regeling door appellant, bestaande uit het niet doorgeven van zijn verblijfplaats, kan daarom slechts als van ondergeschikt belang worden aangemerkt en kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat appellant verregaand nalatig is geweest.


4.4.

De Raad heeft eerder overwogen dat gedrag dat plichtsverzuim oplevert mag worden beoordeeld in het licht van eerdere gebeurtenissen (uitspraak van 31 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7766). De minister heeft het niet doorgeven door appellant van zijn verblijfplaats dan ook mogen plaatsen in het kader van soortgelijke verzuimen als ongeoorloofde afwezigheid en te laat op appel verschijnen. Voor welke gebeurtenissen appellant in 2011 nu precies geldboeten zijn opgelegd, is in de loop van de procedure niet geheel duidelijk geworden, maar geconstateerd moet worden dat volgens de bevelvoerend militair kennelijk kon worden volstaan met het opleggen van geldboeten, in twee gevallen bovendien van betrekkelijk geringe hoogte. Op de overtreding van gedragsregels door appellant in 2011 is dus met een betrekkelijk milde reactie volstaan, ook toen appellant voor de derde keer werd beboet. Aangenomen moet daarom worden dat de gebeurtenissen in 2011 niet als ernstig zijn opgevat, ook niet in onderling verband. Dat maakt dat de geringe nalatigheid van het niet doorgeven door appellant van zijn verblijfplaats bij zijn vertrek uit de kazerne op 30 maart 2012 ook geen verregaande nalatigheid oplevert als dit wordt beoordeeld in het licht van deze eerdere gebeurtenissen. Daarvoor waren ook die gebeurtenissen niet ernstig genoeg.


4.5.

Omdat niet is komen vast te staan dat appellant verregaand nalatig is geweest in de vervulling van zijn plichten, was de minister niet bevoegd hem op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het AMAR ontslag te verlenen. De overige gronden van appellant behoeven daarom geen bespreking.


4.6.

Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het ontslagbesluit van 8 augustus 2012 herroepen.


5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 december 2012;

- herroept het besluit van 8 augustus 2012;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 399,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2015.



(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) B. Rikhof




HD