Centrale Raad van Beroep, 23-04-2015 / 14-617 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1308

Inhoudsindicatie
De stelling van appellant dat hem nooit de middelen zijn gegeven om de achterstanden bij het verwerken van definitieve ontslagbrieven van patiënten weg te werken, mist feitelijke grondslag. Appellant is hulp aangeboden, maar hij wilde de achterstanden zelf wegwerken. Nu hij geen hulp heeft ingeroepen en de langdurige achterstanden heeft laten voortbestaan, komen de gevolgen voor zijn rekening en risico. Van belang: appellant zat in de proeftijd, hij was koploper achterstanden en appellant is uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet nakomen van de afspraken. De kwaliteit van de patiëntenzorg bij appellant is buiten kijf.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-23
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
14-617 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/617 AW

Datum uitspraak: 23 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2013, 13/6274 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene en

A.R. van Koningsbruggen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 25 maart 2011 is appellant met ingang van 1 februari 2011 aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar in de functie van ziekenhuisarts bij de [naam werkgever A].


1.2.

Op 29 november 2012 is naar aanleiding van een functioneringsgesprek op 14 november 2012 het formulier ‘Verslaglegging afspraken personeelsgesprekken’ in P-direkt vastgelegd.


1.3.

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de minister appellant meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling op 1 februari 2013 van rechtswege eindigt, dat de tijdelijke aanstelling niet wordt verlengd en dat hem geen vaste aanstelling wordt verleend. Aan dit besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Met appellant zijn afspraken gemaakt over het wegwerken van achterstanden bij het verwerken van definitieve ontslagbrieven van patiënten alsmede over het contact leggen met de KNO-arts en de cardioloog om de samenwerking te verbeteren en over het maken van een verbetervoorstel voor de röntgen en het laboratorium. Deze afspraken zijn essentieel voor het goed uitoefenen van de functie van ziekenhuisarts. Hoewel appellant hierover meerdere malen is aangesproken, daarbij hulp is aangeboden en ervoor gewaarschuwd is dat het niet nakomen van de afspraken tot het niet voortzetten van het dienstverband kan leiden, is hij de afspraken niet nagekomen.


1.4.

Bij besluit van 21 juni 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de onder 1.2 bedoelde vastlegging niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover die betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2012.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De stelling van appellant dat de tijdelijke aanstelling in 2011 niet op juiste wijze tot stand is gekomen, blijft buiten bespreking. Het aanstellingsbesluit, waartegen appellant geen rechtsmiddelen heeft ingesteld, ligt in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voor.


4.2.

De stelling van appellant dat hem nooit de middelen zijn gegeven om de achterstanden bij het verwerken van definitieve ontslagbrieven van patiënten weg te werken, mist feitelijke grondslag. Appellant is hulp aangeboden, maar hij wilde de achterstanden zelf wegwerken. Als hij daadwerkelijk van de aangeboden hulp gebruik had willen maken, had hij dat kenbaar kunnen en moeten maken. Nu hij dat niet heeft gedaan en de langdurige achterstanden heeft laten voortbestaan, komen de gevolgen voor zijn rekening en risico.


4.3.

Appellant heeft voorts gesteld dat ook anderen binnen de organisatie achterstanden hadden. Die stelling kan niet tot het oordeel leiden dat de minister bij het bestreden besluit ten onrechte belangrijke betekenis heeft toegekend aan de achterstanden bij appellant, te minder nu appellant ter zitting heeft verklaard dat die anderen niet in proeftijd zaten en hij, koploper, achterstanden was. Hierbij komt dat de minister appellant uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet nakomen van de afspraken.


4.4.

Voor zover appellant van opvatting is dat de minister aan het bestreden besluit ten onrechte mede ten grondslag heeft gelegd dat appellant de afspraak niet is nagekomen om contact te leggen met de KNO-arts en de cardioloog, deelt de Raad die opvatting niet. Zoals ook ter zitting is gebleken, is het van een dergelijk contact niet gekomen.


4.5.

Appellant heeft ter zitting verder nog aangevoerd dat als gevolg van de besluitvorming de indruk zou kunnen ontstaan dat hij geen goede arts zou zijn. De minister heeft hierop verklaard dat de kwaliteit van de patiëntenzorg bij appellant buiten kijf is. Dit laat echter onverlet dat administratieve taken en collegiaal overleg eveneens tot de functie van ziekenhuisarts behoren. Er is dan ook geen grond te oordelen dat de minister het niet nakomen van de afspraken daarover door appellant ten onrechte aan het niet voortzetten van het dienstverband ten grondslag heeft gelegd.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) B. Rikhof


HD