Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 13-6368 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1311

Inhoudsindicatie
Intrekken, middelen, onduidelijke situatie, recht niet vast te stellen, afwijzing nieuwe aanvraag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
13-6368 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6368 WWB, 13/6369 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1 november 2013, 12/3464 en 13/236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.C. Schouten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

In het kader van het project Herbeoordeling WWB 2012 heeft het college appellante op 21 maart 2012 en 10 april 2012 verzocht om onder andere bankafschriften in te leveren. Appellante heeft op 18 april 2012 een aantal stukken ingeleverd. Omdat de door appellante verstrekte bankgegevens onvolledig waren en deze stortingen op de eigen rekeningen toonden van in totaal € 1.710,- in de periode van 28 december 2011 tot en met 6 februari 2012, heeft het college appellante bij brief van 3 mei 2012 uitgenodigd voor een gesprek op 24 mei 2012 en haar daarbij verzocht de in die brief genoemde stukken mee te nemen.


1.3.

Bij besluit van 25 mei 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellante opgeschort met ingang van 24 mei 2012 omdat zij tijdens het gesprek op 24 mei 2012 niet (al) de gevraagde gegevens bij zich had. Het college heeft appellante nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 7 juni 2012 en haar verzocht de ontbrekende stukken alsnog mee te nemen. Tegen dit opschortingsbesluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.


1.4.

Appellante heeft het gesprek van 7 juni 2012 afgezegd, waarop het college haar op

14 juni 2012 wederom heeft uitgenodigd voor een gesprek, op 21 juni 2012. Appellante is zonder bericht niet verschenen.


1.5.

Bij besluit van 2 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 oktober 2012 (bestreden besluit I), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 24 mei 2012 ingetrokken en de over de periode van 24 mei 2012 tot 1 juni 2012 ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 153,84 van haar teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante door de ontbrekende gegevens na herhaalde verzoeken niet in te dienen en niet te verschijnen op de afspraak van 21 juni 2012 geen inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie. De vragen over onder andere de stortingen op de eigen rekening van in totaal € 1.710,- in de periode van 28 december 2011 tot en met 6 februari 2012 en de minimale afschrijvingen bij supermarkten zijn onbeantwoord gebleven. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.


1.6.

Op 30 juli 2012 heeft appellante zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de WWB.

1.7.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft het college een onderzoek verricht naar het recht op bijstand, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van

27 september 2012.


1.8.

Bij besluit van 27 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2013 (bestreden besluit II), heeft het college de aanvraag van appellante om bijstand afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in onvoldoende mate heeft aangetoond in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren. Uit onderzoek is gebleken dat appellante op 13 juni 2012 en 15 augustus 2012 € 200,- respectievelijk € 500,- op haar bankrekening heeft gestort. Op 27 juni 2012 is € 404,50 naar haar bankrekening overgemaakt door een op het bankafschrift onherkenbaar gemaakte rekeninghouder. Gezien de eerdere intrekking van de bijstand van appellante is de niet onderbouwde stelling van appellante dat het om leningen van haar dochter gaat onvoldoende om hiervan uit te gaan. Daarnaast heeft appellante enkele keren aanzienlijke bedragen uitgegeven in kledingwinkels en had zij ondanks haar verminderde inkomsten nauwelijks achterstanden met betrekking tot haar vaste lasten. Tevens merkt het college op dat appellante zich via internet heeft aangeboden als viooldocente. Appellante heeft haar verklaringen over deze omstandigheden niet met stukken onderbouwd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking en terugvordering


4.1.

. Het college heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat de grondslag van het besluit tot intrekking van de bijstand van appellante artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is. Het besluit van 17 oktober 2012 wordt beoordeeld voor zover het de periode van

24 mei 2012 (intrekkingsdatum) tot en met 2 juli 2012 (datum van het intrekkingsbesluit) betreft.


4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.


4.3.

De door appellante overgelegde bankafschriften tonen onder andere stortingen op de eigen rekening van in totaal € 1.710,- in de periode van 28 december 2011 tot en met

6 februari 2012 en een gering aantal pintransacties bij supermarkten. Omdat haar financiële situatie onduidelijk was voor het college, is appellante diverse malen in de gelegenheid gesteld om duidelijkheid over onder andere de stortingen te geven en toe te lichten hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien. Appellante heeft echter nagelaten duidelijkheid hierover te verschaffen. Aangezien onduidelijkheid is blijven bestaan over de financiële situatie van appellante, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college was dan ook bevoegd de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Tegen wijze van de gebruikmaking van de bevoegdheid zijn geen gronden aangevoerd.


4.4.

Uit het voorgaande volgt dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het college bevoegd was de bijstand van appellante terug te vorderen. Appellante heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd.


Nieuwe aanvraag


4.5.

In een geval waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beëindiging of intrekking van de bijstand of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sinds die beëindiging, intrekking of afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De beoordelingsperiode strekt zich hier uit van 30 juli 2012 (de datum van de melding voor de nieuwe aanvraag) tot en met 27 september 2012 (de datum van het afwijzingsbesluit).


4.6.

Appellante heeft niet aangetoond dat haar omstandigheden in de periode hier van belang zijn gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking van de bijstand met ingang van 24 mei 2012. Nu de intrekking van de bijstand was gebaseerd op de onduidelijke financiële situatie vanwege onder andere de stortingen op de rekening van appellante en het gering aantal pintransacties bij supermarkten, had het op de weg van appellante gelegen om daarover de nodige opheldering te verschaffen en duidelijk te maken hoe zij in de voorliggende periode in haar kosten van levensonderhoud had voorzien. Appellante heeft echter geen objectieve en verifieerbare gegevens hierover verschaft. Appellante bleef geld op haar rekening storten, gaf aanzienlijke bedragen uit in kledingwinkels en bood zich aan als viooldocente. Zij heeft gesteld dat de stortingen afkomstig zijn van haar dochter van wie zij geld had geleend, maar heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Hiermee is de onduidelijkheid over haar financiële situatie blijven voortbestaan. Het college heeft dan ook terecht geoordeeld dat het recht op bijstand van appellante over de beoordelingsperiode niet kan worden vastgesteld omdat appellante, anders dan zij heeft betoogd, in het licht van de voorafgaande intrekking van bijstand niet toereikend heeft aangetoond in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren. Dat het college aan appellante naar aanleiding van een latere aanvraag bijstand met ingang van 9 oktober 2012 heeft toegekend, doet hieraan niet af omdat vanaf dat moment sprake was van een wijziging in de omstandigheden zoals bedoeld in 4.5. Appellante kon toen haar vaste lasten niet meer betalen en er werd geen geld meer gestort op haar rekening.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.





(getekend) A.B.J. van der Ham




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD