Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 13-2369 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1313

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen aanknopingspunten om de bevindingen van de verzekeringsartsen met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen op relevante onderdelen voor onjuist te houden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
13-2369 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2369 WIA

Datum uitspraak: 24 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 maart 2013, 12/3030 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.F. Hofmans, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hofmans. Voorts is verschenen S. Steinert, tolk in de Duitse taal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, heeft zich op 15 januari 2009 ziek gemeld wegens schouderklachten. Op 1 juni 2009 is het dienstverband van rechtswege geëindigd en is aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van schouderklachten en een nikkelallergie beperkingen heeft. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 juli 2011. De arbeidsdeskundige is tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een drietal andere functies. Op basis van de aan deze functies te ontlenen verdiencapaciteit heeft de arbeidsdeskundige berekend dat er een verlies aan verdienvermogen is van 8%. Bij besluit van 5 augustus 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 29 januari 2011 geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellant tijdens de hoorzitting heeft gezien en de beschikking heeft gehad over de door appellant in bezwaar ingebrachte medische informatie uit de behandelende sector, heeft zich in zijn rapport van 26 april 2012 kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts voor appellant vastgestelde belastbaarheid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op 26,64% gesteld. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 3 mei 2012 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 2011 ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft appellant gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Het onderzoek door de Duitse arts duurde kort. Voorts zijn er nieuwe medische ontwikkelingen: appellant is op 14 maart 2012 aan zijn schouder geopereerd. In verband daarmee heeft het Uwv bij besluit van 26 oktober 2012 aan appellant met ingang van 26 oktober 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij al eerder dan 26 oktober 2011 arbeidsongeschikt was.


2.2.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij per einde van de wachttijd meer dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant is ziek geacht in het kader van de ZW en voorts per

26 oktober 2011 arbeidsongeschikt geacht in het kader van de Wet WIA. Het ziektebeeld is in de tussenliggende periode niet veranderd, zodat niet te verdedigen is dat hij in de tussenliggende negen maanden uit het niets volledig arbeidsgeschikt moet worden geacht.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

De rechtbank heeft terecht het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Er zijn geen aanknopingspunten om de bevindingen van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen op relevante onderdelen voor onjuist te houden. Daartoe wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts kennis heeft genomen van het E213-rapport van de Duitse arts Trede van 6 juni 2011. Trede beschikte over een

MRI-onderzoek van 10 augustus 2009 waarop geen duidelijke afwijkingen zijn te zien. Trede gaat uit van beperkingen ten aanzien van tillen, dragen en klimmen en de verzekeringsarts heeft die beperkingen gevolgd. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant beperkingen heeft bij duwen of trekken, tillen of dragen, zware lasten hanteren, klimmen, boven schouderhoogte actief zijn links en contact met nikkel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanknopingspunten gezien om de door de verzekeringsarts opgestelde FML op medische gronden aan te scherpen. Appellant heeft weliswaar nieuwe medische informatie ingebracht maar die ziet niet op de datum in geding, 29 januari 2011. Een MRI-onderzoek op 26 oktober 2011 toont een impingement en vormde de aanleiding voor de operatie op

14 maart 2012.


4.2.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat zijn ziektebeeld tussen 29 januari 2011 en 26 oktober 2011 niet is veranderd. Uit de beide MRI-onderzoeken blijkt immers dat er op 10 augustus 2009 geen duidelijke afwijkingen te zien waren en op 26 oktober 2011 wel. Tijdens de herbeoordeling van appellant door de verzekeringsarts op 17 augustus 2012 rapporteert deze dan ook - met inachtneming van de door appellant overgelegde medische stukken - dat sprake is geweest van geleidelijk verder toegenomen klachten in 2011.


4.3.

Voorts brengt toekenning van ziekengeld ingevolge de ZW niet per definitie met zich dat aansluitend sprake is van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet WIA, ook niet bij een gelijkblijvende medische toestand. Op grond van de ZW wordt ziekengeld toegekend als de verzekerde ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid terwijl op grond van de Wet WIA wordt meegewogen wat de verzekerde kan verdienen met alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij in staat is. Het is om die reden niet relevant dat er op 29 januari 2011 geen sprake was van een verbetering van de medische toestand. Anders dan appellant veronderstelt is dat niet nodig om - na het ontvangen van ziekengeld - tot een afwijzing van een uitkering ingevolge de Wet WIA te komen. Daarbij komt dan nog dat er wel beperkingen kunnen zijn, zoals in het geval van appellant, maar dat deze eerst tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet WIA leiden als de mate van arbeidsongeschiktheid meer dan 35% is.


4.4.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2015.




(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) S. Aaliouli





MK