Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 13-537 AKW


ECLI:NL:CRVB:2015:1314

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum kinderbijslag is juist vastgesteld. Op de peildatum van het tweede kwartaal, 1 april, was nog niet duidelijk dat de kinderen definitief bij appellante zouden gaan wonen en dus definitief tot haar huishouden zouden gaan behoren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
13-537 AKW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/537 AKW

Datum uitspraak: 24 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

20 december 2012, 11/1902 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Osmic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellante is, met een besluit van 3 juni 2011, kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend met ingang van het derde kwartaal van 2011, voor haar kinderen [naam D.] en [naam V.]. Appellante bestrijdt de ingangsdatum van het recht, nu de kinderen sinds 18 maart 2011 bij haar wonen. Bij beslissing van 13 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.


3.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of de kinderen van appellante op de peildatum van het tweede kwartaal van 2011 behoorden tot haar huishouden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor het antwoord op die vraag de feitelijke situatie bepalend, tenzij sprake is van een situatie die een tijdelijk karakter heeft. Naar ook is neergelegd in de beleidsregels van de Svb kan er in zo’n geval grond bestaan om een uitzondering aan te nemen op de regel dat de feitelijke situatie bepalend is.


3.2.

Sinds de echtscheiding van appellante en haar ex-echtgenoot in 2001 hebben de kinderen tot maart 2008 bij appellante gewoond. Daarna zijn zij bij hun vader gaan wonen, tot zij op

18 maart 2011 weer naar appellante zijn gegaan. Die verhuizing was na overleg met het Bureau Jeugdzorg en is door dit bureau beschreven als een time-out periode van vier weken, naderhand met vier weken verlengd. Op 11 mei 2011 hebben de ouders besloten dat de kinderen definitief bij appellante zouden gaan wonen. Deze gegevens zijn schriftelijk bevestigd door Bureau Jeugdzorg. De kinderen zijn op 18 mei 2011 ingeschreven op het adres van appellante in de gemeentelijke basisadministratie.


3.3.

Uit deze beschrijving van de gang van zaken kan niet anders geconstateerd worden dan dat op de peildatum van het tweede kwartaal van 2011, 1 april, nog niet duidelijk was dat de kinderen definitief bij appellante zouden gaan wonen en dus definitief tot haar huishouden zouden gaan behoren.


3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak dient dan ook bevestigd te worden.


4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2015.




(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) S. Aaliouli




HD