Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 12-5019 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1315

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Niet gebleken dat bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling de klachten van appellante zijn onderschat of onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelend sector bij het vastleggen van de beperkingen in de uiteindelijke FML onjuist zou zijn uitgelegd. De in de geduide functies voorkomende belasting overschrijdt de belastbaarheid van appellante niet en appellante is in staat deze functies te vervullen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
12-5019 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5019 WIA

Datum uitspraak: 24 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2012, 12/294 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Wassenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante en het Uwv zijn nadere stukken aan de Raad toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Appellante is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Wassenberg voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

De Raad heeft het onderzoek heropend en een vraag voorgelegd aan het Uwv. Hierop is een reactie van het Uwv ontvangen. Namens appellante is hierop gereageerd. Van de zijde van het Uwv is daarop een reactie gegeven.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerkster in de bar, receptie en kinderopvang van een sportschool. Op 17 augustus 2009 is zij voor dit werk uitgevallen in verband met vermoeidheid (burn-out) en pijnklachten. Het dienstverband is beëindigd per 1 februari 2010.


1.2.

Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft als diagnose gesteld fibromyalgie en een somatoforme pijnstoornis, waarbij sprake is van duurzame benutbare mogelijkheden. Wel zijn er in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 mei 2011 beperkingen aangenomen ten aanzien van de belasting van de psychische en energetische draagkracht. Zo wordt appellante aangewezen geacht op gestructureerde, voorspelbare, niet stressvolle arbeid, geen veelvuldige deadlines/productiepieken en geen hoog handelingstempo. Er zijn beperkingen ten aanzien van emotie- en conflicthantering, geen verhoogde persoonlijke risico’s, geen hectische werkomgeving, geen directe klantencontacten, geen leidinggevende aspecten, geen directe zorg en fysiek niet al te belastende arbeid. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien. De arbeidsdeskundige heeft appellante niet geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid, maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 1,28%. Bij besluit van 24 juni 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 15 augustus 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.


1.3.

Appellante heeft in bezwaar, onder verwijzing naar verscheidene stukken, de juistheid betwist van het aan dit besluit ten grondslag gelegd medisch en arbeidskundig oordeel. Volgens appellante stemt de FML niet overeen met de feitelijke situatie en dient deze dan ook te worden herzien op diverse punten. Hierbij heeft zij verwezen naar de brief van psychiater J.W. Roth van 6 juni 2011, een rapport van 11 februari 2010 van revalidatiearts F.M.S. Damstra, een brief van 9 oktober 2011 van fysiotherapeut Y. Boorsma en een op 5 september 2011 gedateerd rapport van E. van der Kooij, trainer/coach inzake

burn-out begeleiding en stressmanagement. Voorts is aangegeven dat appellante zich door het gebruik van medicijnen moeilijk kan concentreren, dat zij inmiddels allerlei voorzieningen (hulp in de huishouding, scootmobiel en een vervoersvoorziening) van de gemeente [woonplaats] heeft gekregen en dat zij in januari 2011 in verband met haar klachten naar een benedenwoning is verhuisd.


1.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na appellante lichamelijk te hebben onderzocht en op grond van hetgeen is aangevoerd, geen aanleiding gezien om af te wijken van het primaire verzekeringsgeneeskundige oordeel. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er bij de aandoening fibromyalgie geen reden voor het stellen van ernstige fysieke beperkingen. Er is in de FML voldoende rekening gehouden met de pijnklachten in het kader van de fibromyalgie, wel heeft hij een lichte beperking ten aanzien van het trappenlopen aan de FML toegevoegd. Voorts is in voldoende mate rekening gehouden met de beperkte stresstolerantie in het kader van de somatoforme pijnstoornis alsmede met beperkingen die voortvloeien uit de bij appellante aanwezige persoonlijkheidsstrekken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht een urenbeperking niet geïndiceerd. Vanwege het gebruik van de medicijnen lyrica en tramadol voegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel beperkingen ten aanzien van beroepsmatig chauffeuren toe alsmede een toelichting bij persoonlijk risico. Een medische onderbouwing voor het stellen van een beperking ten aanzien van vervoer en handelingstempo ziet deze verzekeringsarts niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens aanleiding gezien om af te wijken van de primaire arbeidsdeskundige en een aantal geduide functies laten vervallen. Hij heeft echter een aantal nieuwe functies geduid die, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geschikt zijn bevonden en op grond waarvan appellante een verlies aan verdienvermogen heeft van minder dan 35%.


1.5.

Bij besluit van 14 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2011 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ter toelichting diverse rapporten heeft overgelegd en ook na kennis te hebben genomen van de door appellante overgelegde verklaringen meerdere beperkingen heeft aangenomen in het FML. De aangenomen beperkingen leiden echter niet tot het oordeel dat appellante in het geheel niet meer kan werken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies, gelet op de medische beperkingen van appellante, geschikt kunnen worden geacht.


3. In hoger beroep heeft appellante, deels herhaald, aangevoerd dat de FML ondanks de aanpassingen in bezwaar en beroep nog steeds niet overeenkomt met de werkelijke situatie. In verband met het medicijngebruik van appellante is ten onrechte geen beperking aangenomen tot het vasthouden en verdelen van de aandacht. Om die reden is de functie van wikkelaar waarbij een soldeerapparaat gehanteerd moet worden ook niet geschikt. Verder dient een beperking ten aanzien van het vervoer te worden opgenomen, een zwaardere beperking ten aanzien van het trappenlopen, evenals ten aanzien van het aspect zitten. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat ten onrechte geen beperking is opgenomen tot het werken in een omgeving waar stof, gas of damp de atmosfeer belasten, gezien het feit dat appellante astma en last van allergie heeft. Ook om die reden kan appellante de functies van wikkelaar en de medewerker gordijnenatelier niet verrichten. Voorts is appellante niet in staat voltijds te werken in verband met haar energieklachten en in verband met het volgen van verschillende therapieën. Ook wordt in een aantal geselecteerde functies de belastbaarheid overschreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in diverse stadia van deze procedure uitvoerig ingegaan op de namens appellante naar voren gebrachte gronden tegen de vastgestelde FML en heeft op grond hiervan ook aanpassingen in de FML aangebracht. Ook naar aanleiding van de in hoger beroep namens appellante ingebrachte stukken heeft de verzekeringsarts op 13 oktober 2014 uitgebreid gerapporteerd dat deze geen andere visie geven op de belastbaarheid van appellante. Wel heeft hij op 31 oktober 2014 naar aanleiding van het ter zitting naar voren gebrachte enige beperkingen aan de FML toegevoegd ten aanzien van hoge concentraties stof/rook/damp en ten aanzien van allergie voor honden, katten en graspollen. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat het Uwv haar medische klachten onvoldoende op waarde heeft geschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn reacties op de namens appellante aangevoerde gronden, laatstelijk op 15 januari 2015, een toereikende motivering gegeven die niet voor onjuist kan worden gehouden. Niet is gebleken dat bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling de klachten van appellante zijn onderschat of onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelend sector bij het vastleggen van de beperkingen in de uiteindelijke FML van 31 oktober 2014 onjuist zou zijn uitgelegd. Ter zitting is door appellante bevestigd dat zij ten tijde in geding alleen onder behandeling was bij psychiater Roth, zodat dit de beschikbaarheid voor een voltijdse baan niet in de weg heeft gestaan.


4.2.

Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 31 oktober 2014 en gezien de toelichting op de signaleringen en de nadere motivering, zoals vermeld in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, laatstelijk van 13 november 2014 en 15 januari 2015, is de Raad van oordeel dat de in de geduide functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en appellante in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.


4.3.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2015.




(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) J.C. Hoogendoorn



NK